Gezond vet; Advies over vetconsumptie lokt hevige strijd uit

DE AANBEVELING VAN gezondheidsvoorlichters om zetmeel en suikers te eten in plaats van vet mist een wetenschappelijke basis. De aandacht voor de verschillen tussen onverzadigde vetzuren enerzijds en verzadigde en geharde vetzuren anderzijds dreigt verloren te gaan in de let-op-vet-campagnes.

Dat is de kern van de bijdrage aan een debat over de gezondheidseffecten van minder-vet-meer-zetmeel-diëten van de Wageningse hoogleraar humane voedingsleer dr. M.B. Katan en zijn Amerikaanse collega's S.M. Grundy en W.C. Willett in The New England Journal of Medicine (21 aug). Het drietal gaat in het tijdschrift in debat met William Connor en Sonja Connor, een aan de Oregon Health Sciences University verbonden echtpaar. De Connors hebben hun sporen verdiend bij onderzoek naar het verband tussen hart- en vaatziekten en voeding.

De Connors vatten allereerst de wetenschap over vet, voeding en hartziekten samen. In de beroemde Zeven Landen Studie - direct na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaan Keys geïnitieerd - bleek dat de cholesterolgehaltes in het bloed en de sterfte aan hartziekten goed samenhingen met veel vet in het eten. Vanaf de jaren zestig onderscheidden de onderzoekers de effecten van verzadigde en onverzadigde vetzuren. Verzadigde vetten zijn over het algemeen de bij kamertemperatuur gestolde vetten. Vloeibare plantaardige oliën zijn onverzadigd. De onverzadigde vetzuren werden verder onderscheiden in enkelvoudig (olijfolie bijvoorbeeld) en meervoudig (linolzuur) onverzadigde vetzuren. Nog later verschenen de geharde vetten (de transvetzuren) als een categorie met een apart effect op de gezondheid. De transvetzuren zijn van oorsprong onverzadigd, maar zijn door een chemisch proces (hydrogenering) omgezet in een vorm met de fysiologische effecten van een verzadigd vet. Verzadigde vetzuren, transvetzuren en veel cholesterol verhogen het cholesterolgehalte in het bloed en vooral het gehalte 'slecht' cholesterol (low density lipoprotein of LDL). Het optreden van hartziekten hangt het scherpst samen met het gehalte verzadigde vetten in de voeding, schrijven Connor en Connor.

Op grond van deze kennis, schrijven Connor en Connor, kun je het publiek twee dingen adviseren: het aandeel totaal vet in de voeding verlagen, of het percentage verzadigde vetzuren verminderen. Connor en Connor kiezen voor vermindering van totaal vet. En wie zoekt naar hun motivatie vindt alleen het argument dat minder 'totaal-vet' nu eenmaal al jaren wordt geadviseerd door befaamde ziekte-organisaties als de American Heart Association de American Cancer Society. Het heeft allemaal geculmineerd in de 'Dietary Guidelines for Americans' van het Amerikaanse Department of Health and Human Services. En het heeft geholpen, stellen Connor en Connor vast. Vanaf de jaren zestig is het percentage calorieën afkomstig uit vet in het Amerikaanse dieet gedaald van 40 tot 33% en het aandeel koolhydraatcalorieën gestegen van 45 tot 52%. De koolhydraatcalorieën zijn vooral suikercalorieën uit vetarme koekjes en frisdranken, niet de zetmeelcalorieën die binnenkomen met brood en pasta. Ze vinden dat minder vet al een groot effect heeft gehad: “de sterfte aan hartziekten is 20 tot 30% lager dan 25 jaar geleden.”

De bevolking mag er dan steeds meer van overtuigd raken dat alle vetten even slecht zijn, maar het wetenschappelijk bewijs ervoor wordt steeds magerder, brengen Katan en zijn mede-auteurs daar tegen in. Het is bijvoorbeeld maar de vraag of de daling van de hartziekten simpelweg het gevolg is van minder vet eten. De laatste 25 jaar is in de VS niet alleen het percentage vet in de voeding gedaald. Binnen het vetsegment steeg in die jaren ook het aandeel onverzadigde vetzuren en daalden de verzadigde vetzuren.

En koolhydraten zijn niet zo onschuldig als vaak wordt gezegd, vooral niet voor mensen die stilzitten. De vetvrije koekjes waar de Amerikanen zo van genieten en die ook in Europa populairder worden laten weliswaar het LDL-cholesterolspiegel in het bloed dalen als ze vet vervangen, maar ook het gehalte goede cholesterol (HDL) daalt.

Katan: “Dit effect van koolhydraten is reden voor ongerustheid.” Hij noemt roken, vetzucht, stilzitten, van het mannelijk geslacht zijn en afzien van alcohol als andere factoren die het HDL-cholesterolgehalte verlagen en tevens het risico op hartziekten verhogen. Bij het vervangen van verzadigde door onverzadigde vetten blijft het HDL beter op peil.

Er zijn meer redenen om de lage-vetdiëten te wantrouwen, schrijven de opponenten van de Connors. Het lage-vet-dieet wordt ook gepropageerd omdat mensen er makkelijker mee zouden afvallen. Maar in gecontroleerde onderzoeken is het effect ervan hoogstens een of twee kilo. Ook vermeende effecten op kanker zijn niet hard. De vetconsumptie heeft geen verband met borstkanker. En andere grote killers als darmkanker en prostaatkanker hangen eerder samen met het eten van veel vlees, niet met vetconsumptie.

De discussie over het goede advies over vetconsumptie is hoog opgelopen onder voedingsonderzoekers. Op congressen vliegen de kampen elkaar steevast in de haren. Het enige waar de kemphanen het over eens zijn is de aanbeveling meer plantaardig voedsel te eten en dat er minder verzadigd vet moet worden gegeten. Maar bij de motivering lopen de meningen al uiteen, want Connor en Connor vinden vooral de inname van vezels, antioxidanten en andere tegen ziekte beschermende bestanddelen belangrijk, terwijl Katan en consorten de onverzadigde vetzuren in planten (de plantaardige oliën) toch ook belangrijk vinden.