Een thriller met ongewenste intimiteiten

De Engelse thriller-schrijfster Minette Walters vindt mannen 'heel leuk', maar de mannen in haar boeken zijn dat bepaald niet. Hoofdpersoon in haar laatste boek is een alcoholistische journalist die grof is tegen vrouwen.

Minette Walters: De Echo, uitgegeven door De Boekerij.

AMSTERDAM, 23 AUG. “De meeste mannen hebben vrouwen nodig die ze vertellen wat ze moeten doen. Zelfs seks wordt beter wanneer vrouwen de moeite nemen om de man de juiste richting te wijzen. [...] Vergeleken met vrouwen schieten de meeste mannen te kort. Ze zijn niet zo opmerkzaam, hebben vrijwel geen intuïtie, hebben minder mensenkennis en zijn daardoor kwetsbaarder voor kritiek.”

Het is een mannelijk personage dat dit college over 'het wezen man' geeft in Het Heksenmasker, het derde boek van de Engelse thrillerschrijfster Minette Walters. Maar wie meer van haar werk gelezen heeft, is geneigd te denken dat de auteur zelf hier aan het woord is. Want het beeld dat zij in haar boeken schetst van mannen, is bepaald niet positief. Ze zijn gewelddadig, slaan hun vrouw of hebben op z'n minst een alcoholprobleem. De hoofdrollen in Walters boeken zijn doorgaans weggelegd voor vrouwen, sterke vrouwen.

Het is een misverstand te denken dat de schrijfster een hekel heeft aan mannen. Minette Walters (1949), even in Nederland om haar nieuwe, vijfde boek De Echo te promoten, is een allervriendelijkste Engelse dame, gelukkig getrouwd en moeder van twee zoons.

“Ik vind mannen heel erg leuk”, zegt ze. In haar nieuwe boek heeft ze voor het eerst de hoofdrol aan een man gegeven. “Omdat me nogal eens werd verweten dat ik zulke slechte dingen over mannen schrijf, wilde ik eens laten zien hoe aardig ze kunnen zijn. Maar zelfs nu ik een boek heb geschreven over wat ik beschouw als een gevoelige man, wordt ik er door critici nog van beschuldigd alleen over slechte mannen te schrijven.”

Michael Deacon, de journalist die in De Echo het mysterie rond de dood van een zwerver probeert op te lossen, drinkt te veel en is vaak grof tegen vrouwen, in het bijzonder zijn oude moeder. “Ik denk dat hij heel gevoelig is”, zegt Walters. “Als hij de kans krijgt affectie te tonen, dan doet hij dat. Helaas hebben vrouwen hem nooit de kans gegeven dat te doen. Omstandigheden hebben van hem een macho gemaakt.”

“Of het voor mij net zo makkelijk is om over mannen te schrijven als over vrouwen? Daar is een man voor nodig om dat te beoordelen. Ik werd laatst geïnterviewd door een mannelijke journalist van The Times. 'Is er iets dat je niet weet van mannen?', vroeg hij. Waarop ik antwoordde: 'Is dat een compliment?' En toen zei hij 'ja'.”

Voordat Walters een jaar of zes geleden begon met het schrijven van thrillers, werkte ze lange tijd voor een vrouwenblad dat romantische verhalen publiceerde. Als eindredacteur las ze tweehonderd van die verhalen per maand. Op een moment besloot ze dat ze het zelf beter kon. In haar vrije tijd begon ze ook verhalen te schrijven voor het blad. “Ik schaam me daar niet voor,” zegt Walters. “Ik was 21 jaar, had een flat met een hypotheek die ik me niet kon veroorloven en moest kiezen tussen de straat op gaan of schrijven. Ik heb gekozen voor het laatste.” Al schaamt ze zich er niet voor, de veertien pseudoniemen waaronder ze de verhalen schreef, wenst ze niet prijs te geven. “Die gaan met mij mee het graf in. Ik word liever herinnerd door mijn thrillers.”

Walters voert in De Donkere Kamer, haar vierde boek, een politieman op die een andere politieman verdenkt van 'ongewenste intimiteiten', een term die niet vaak valt in het thrillergenre. Maar behalve dat, en het veel voorkomen van vrouwelijke hoofdpersonen, zijn Walters' boeken vrij klassieke whodunits, die tot het einde spannend blijven. Walters zelf wijt dat aan de manier waarop ze ze schrijft. “Ik bedenk niet van te voren wie het gedaan heeft. Als je een puzzel maakt voor je lezer, en je weet aan het begin al wat de oplossing van die puzzel is, dan ga je voortdurend signalen geven. Of je geeft juist helemaal geen signalen. In beide gevallen speel je vals. Ik creëer een stuk of zes personen die het gedaan kunnen hebben, omdat ik ze allemaal duidelijke motieven geef, en omdat ik ze sterk genoeg maak om geloofwaardig te kunnen zijn als verdachte. Halverwege zie ik ineens wie het gedaan heeft, en ik verwacht dat de lezer hetzelfde doet.”

Aan het eind van Walters' boeken is vaak nog sprake van een spoortje twijfel. Is degene die de moord gepleegd lijkt te hebben nu werkelijk de dader? Walters: “Ik krijg honderden brieven van lezers die daar een antwoord op willen. Ik weet wat ik denk, maar dat doet er niet toe. Iedereen die leest wat je schrijft interpreteert het anders. Iedereen brengt zijn eigen vooroordelen en waarheden mee. Neem iets simpels als een naam. Als je een van je personages een naam geeft dan kent 25 procent van de lezers iemand die zo heet. Daar heeft hij aardige associaties bij of juist niet. Ik beantwoord alle brieven, met de hulp van een secretaresse. Maar ik vertel nooit wie het gedaan heeft. Mensen zijn daardoor vaak teleurgesteld. Maar zij weten wat ze denken, ze hebben al besloten wie het gedaan heeft en willen van mij toch alleen horen dat ze gelijk hebben.”