De plicht tot synthese; Onderzoekers verzuimen resultaten in perspectief te plaatsen

Het kenmerk van moderne wetenschap is voortgaande specialisatie. Maar zonder synthese van die verbrokkelde kennis tot een samenhangend wereldbeeld kon het grote publiek wel eens afhaken.

TOEN ERWIN SCHRÖDINGER, natuurkundige en pionier op het gebied van de quantummechanica, in 1944 What is life? publiceerde, opende hij dat boek met een verontschuldiging. “Een wetenschapper wordt geacht bepaalde onderwerpen grondig te beheersen”, schreef de Oostenrijker in zijn inleiding, “en daarom dient hij zich naar buiten toe gedeisd te houden in wetenschappelijke kwesties die niet tot zijn directe expertise behoren.” Waarna hij de regel brak.

De biologen waren niet blij met Schrödingers stoutmoedige synthese - uitvloeisel van een serie colleges over fysica en chemie in levende organismen - en reageerden kribbig. Niettemin had het boek grote invloed. James Watson kreeg het in 1946 onder ogen en raakte zo gefascineerd dat hij zich op het geheim van het DNA stortte. En collega Francis Crick vond dat What is life? knappe koppen op het spoor van de moleculaire biologie had gezet die dat vak nooit hadden gevonden.

Tegenwoordig liggen de zaken anders. “Wetenschappers zijn verleerd om buiten het eigen specialisme te treden, om te verenigen”, zegt Mott T. Greene, wetenschapshistoricus aan de Puget Sound Universiteit in Tacoma (Washington). “Alleen in zijn eigen diepe kuil voelt de onderzoeker zich op zijn gemak.” Afgelopen februari, op de jaarbijeenkomst in Seattle van de AAAS (uitgever van Science), hield Greene onder de titel What cannot be said in science een lezing over deze huiver om bij te dragen aan een totaalbeeld. Vorige week publiceerde Nature een bekorte versie.

Hebben wetenschappers nog wel tijd om brede colleges voor te bereiden, om vakoverstijgende boeken voor een groot publiek te schrijven? Ze zijn al blij als er tussen het indienen van alle projectvoorstellen door nog wat tijd overschiet voor eigen onderzoek.

Greene: “Dat is helemaal waar. Het is onmogelijk je aan het front staande te houden en tegelijk de tijd te vinden om wetenschap in breder perspectief te plaatsen. Toch is het ook voor de meest egotistische, carrièrebeluste wetenschapper nuttig te weten hoe zijn specialisme zich verhoudt tot het totaal aan kennis. Nu is hij daarvan onkundig.”

Waarom is dat zo belangrijk?

“Neem Alfred Wegener, de man achter de theorie van de drijvende continenten. Hij zou nooit op het idee gekomen zijn zonder de Duitse traditie van handboeken en encyclopedieën. Begin deze eeuw had je de Encyklopedie der Mathematische Wissenschaften, het Handbuch der Physik en andere meerdelige uitgaven op het gebied van geologie, mineralogie, enzovoort. Alles geschreven door toponderzoekers. Niet voor de beginnende student maar voor de niet-specialist, voor de collega van buiten die zich het vakgebied eigen wilde maken. Wegener hoefde maar naar een bibliotheek te stappen of hij beschikte over actuele oceanografische gegevens.”

Is specialisatie niet inherent aan wetenschap?

“Binnen de huidige normen zeker. Wie tegenwoordig op Harvard geologie doet, treft in zijn curriculum geen mineralogie meer aan. Mensen die zich geoloog noemen weten zich geen raad met stenen en mineralen. Bij de biologen zie je iets vergelijkbaars. Genetici hebben niets met levende wezens en vinden morfologie en natuurhistorie ouderwets.

“Waar de verbanden met het oude kort na de afsplitsing van een nieuw specialisme vanzelfsprekend zijn, zijn ze een onderzoeksgeneratie verder niet meer aan de orde. What goes without saying heeft plaatsgemaakt voor what cannot be said. Dat gaat vanzelf, het is een autonoom proces. Voortgaande specialisatie zonder aandacht voor het totaalbeeld, dat is het probleem met de moderne wetenschap.”

Zou meer vakoverstijgend onderwijs helpen? En waar moet dat beginnen?

“Direct op de middelbare school. Door je op projecten te concentreren, en niet op vragen die nooit zijn gesteld, leer je de student informatie uit verschillende vakgebieden bijeenbrengen. Misschien komt het er dan nog eens van dat een eerstejaars natuurkundige het verschil weet tussen eiwitten en nucleïnezuur, dat de aankomend chemicus de leeftijd van de aarde kent, dat de geoloog raad weet met het blauw van de hemel. Vakoverstijgende colleges moeten geen natuurkunde of geologie of scheikunde uit het curriculum wegdrukken maar een brede nieuwsgierigheid uitlokken. Het onderwijs heeft die opdracht tot synthese een eeuw lang verzaakt.”

Waar heeft dat toe geleid?

“Als wetenschappers systematisch verzuimen een samenhangend wereldbeeld uit te dragen, zijn er anderen die in het gat springen. Ga eens kijken in een boekhandel. De schappen liggen vol met holisme, met quantumkosmos, met chaos. Die boeken staan barstenvol fouten en het regent oversimplificaties. De wetenschappers mogen zich groen en geel ergeren, maar ze doen niets. Activisme is taboe.”

Hoe krijg je de wetenschapper in beweging?

“Wachten op tijden van crisis. In de jaren zeventig speelde in de Verenigde Staten de strijd tussen de evolutionisten en de creationisten. Wat gebeurde er? Opeens moesten wetenschappers voor de rechtbank getuigen in hoeverre het bijbelse scheppingsverhaal wetenschappelijk serieus is te nemen. Om aanvallen vanuit het creationistische kamp te pareren zagen biologen zich gedwongen hun kuil te verlaten om hun heil te zoeken bij fysici, kosmologen, geologen en chemici. Dat heeft prachtboeken opgeleverd die, zoals Brett Dalrymple in The age of the earth erkent, anders ongeschreven waren gebleven.”

Kan de wetenschap een voorbeeld nemen aan wijlen de astronoom Carl Sagan?

“Zeker. Ondanks de kritiek die hij van collega's te verduren heeft gekregen heeft hij de wetenschap een enorme dienst bewezen door een miljoenenpubliek een totaalvisie op de kosmos te bieden. Natuurlijk maakte hij buiten zijn directe vakgebied fouten. Maar het gepopulariseer weerhield hem er niet van zich als wetenschapper aan de top te handhaven. Het televisiewerk deed hij er gewoon bij.

“Toen ik Carl Sagan op Cornell college zag geven voor een breed publiek, benadrukte hij dat in het negentiende-eeuwse Engeland een besef van betrokkenheid bij de leek wèl aanwezig was. Er zijn toen grote telescopen gebouwd met geld dat langs de weg van publieke inschrijvingen bijeen is gebracht. Dat zou nu niet meer kunnen. Toch, wie alle opwinding omtrent het Sojourner-karretje op Mars in ogenschouw neemt kan niet anders dan concluderen dat wetenschap nog altijd in staat is het publiek te mobiliseren. Als het de mensen maar raakt. Zulke prachtkansen doen zich weinig voor en je moet ze benutten.”

Wat is de rol van de wetenschapshistoricus? Kan hij wat gesplitst is weer samenvoegen? Kun je wetenschap in breder perspectief plaatsen zonder die wetenschap van binnenuit te kennen?

“Wij staan niet aan het front, wij kunnen geen perspectief aanbrengen, dat moet de onderzoeker zelf doen. Onze rol is dit verzaken van de plicht tot synthese te signaleren. Het wordt ons door de wetenschap niet in dank afgenomen.”

Hoe krijg je de onderzoeker zo ver dat hij naast het bedrijven van het specialistische handwerk ook de synthese zoekt?

“Door hem te belonen. Wie in de wetenschap iets gedaan wil krijgen moet fondsen instellen. De creativiteit om die aan te boren is enorm. Hoe de National Science Foundation kan sturen bleek na de heisa over 'leven op Mars'. De NSF creëerde een potje waaruit onderzoek naar leven onder extreme condities wordt betaald. Een nieuw specialisme was geboren: mensen die in woestijnen werken wisselen gegevens uit met poolonderzoekers, diepzeebiologen en speurders naar leven in vulkanische bronnen. Daarvóór hadden ze nooit contact gehad.”

Loopt de wetenschap gevaar als het uitdragen van de interne samenhang stokt?

“Als de ontwikkeling van segmentatie en verbrokkeling doorzet, bestaat het risico dat de maatschappij niet langer het belang van wetenschap onderkent. Nu al zie je dat waar wetenschappers het vertikken een samenhangend wereldbeeld te presenteren, anderen klaar staan met bijgeloof en obscurantisme. Eerder in de geschiedenis, bij de val van het Romeinse Rijk, is de wetenschap ook al eens weggevaagd. De gedachte dat zo'n ramp ons niet opnieuw zou kunnen treffen berust op hoogmoed.”

Wat staat ons in de aanloop naar die catastrofe te wachten?

“Maatschappelijke stagnatie, en op den duur een terugkeer naar autoritaire regimes en orthodoxie. Neem repressieve landen als Singapore, Maleisië en Korea, of een conservatieve parlementaire democratie als Japan. Ze hebben de interessantste technologie voortgebracht, maar veel wetenschap wordt er niet geproduceerd. Er zijn ook geen fondsen en de interesse bij het grote publiek ontbreekt. De mensen in die landen zien geen verband tussen wetenschap en het dagelijks bestaan. Zo'n houding kan naar onze contreien overslaan. En als je het bovennatuurlijke in de armen sluit, waarom zou je dan geld overhebben voor wetenschap?”