De nieuwe joden van Polen; Een keppeltje op een rastakapsel

Gesteund door Amerikaanse instellingen en geleid door Amerikaanse rabbi's krabbelt het vrijwel uitgeroeide Poolse jodendom weer op. Ondanks het nog altijd sluimerende antisemitisme keren jongeren terug naar het oude geloof. Ian Buruma vraagt zich af waarom zij een manier van leven zoeken waar zijn grootouders juist aan waren ontsnapt. 'Het jodendom is de nieuwe chic.'

Ponsk is een gemiddeld Pools stadje: 23.000 inwoners, gloednieuwe Ford- en Pepsicovestigingen aan de rand, een oud, vervallen marktplein, troosteloze communistische woonblokken, billboards met vrouwen in sexy ondergoed en een supermarkt op de plaats waar eens de synagoge stond. Ponsk is ook een typisch Pools stadje, omdat voor 1939 meer dan de helft van de inwoners joods was. Er woonden al joden in Ponsk sinds 1446. David Ben-Gurion, de eerste premier van Israel, is er geboren. Op 16 december 1942 vertrok de laatste trein naar Auschwitz, slechts een handvol joden is naar Ponsk teruggekeerd. Nu zou hier nog één oude dame van joodse afkomst wonen, en zij is katholiek.

Na de oorlog kwamen er nieuwe mensen in Ponsk. Jongeren hadden geen benul dat er joden in deze stad hadden gewoond. Niet alleen de zeventiende-eeuwse neoklassieke synagoge was verwoest (in 1956, door het Poolse gezag), de Duitsers hadden ieder spoor van joodse aanwezigheid grondig uitgewist: de begraafplaats, het badhuis, ieder huis in het getto. Alleen het hoofdkwartier van de Gestapo had de oorlog doorstaan, dat werd overgenomen door de Poolse Communistische Partij. Een typisch Pools verhaal dus. En toch is er iets veranderd, vooral sinds 1989.

De nieuwe burgemeester van Ponsk, Andrzej Pietrasik, heeft een project opgezet om de schoolkinderen van Ponsk de joodse geschiedenis van hun stad te leren. Het huis van Ben-Gurion, aan het marktplein, is voorzien van een herinneringsplaquette en wordt binnenkort misschien een joods museum. In 1996 heeft de burgemeester het Ben-Gurionconcours ingesteld om Pools-joodse geschiedenisprojecten te stimuleren. Ponsk heeft een Israelische zusterstad gekozen, Ramat Hanegev, de kibboets van Ben-Gurion. De burgemeester, een jonge, enthousiaste, ondernemende man, wil Ponsk 'op de kaart zetten', investeerders en meer industrie aantrekken, de stad uitbreiden. Joodse geschiedenis is op het eerste gezicht een merkwaardige keuze om Ponsk te promoten, maar ze loopt parallel met een joodse revival in het land waar vijftig jaar geleden het Europese jodendom vrijwel werd weggevaagd. Op een wonderlijke manier zijn de opleving van het jodendom en Pepsi-Cola hand in hand gegaan. Ze horen in het postcommunistische landschap en allebei zijn ze uit Amerika geïmporteerd.

Na de val van het communisme lag de markt open voor zowel religieuze en culturele ondernemingen als voor consumptiegoederen. Het jodendom is in zekere zin de nieuwe chic. Een joodse basisschool in Warschau heeft een wachtlijst - meer dan de helft van de kinderen is afkomstig uit niet-joodse gezinnen. Eerder dit jaar werd er een nieuw joods literair tijdschrift, Midrasz, opgericht. Steeds meer mensen ontdekken hun broze, tot nog toe vaak verborgen joodse wortels. En de hoofdsponsor van deze jonge loten van joods leven is de Ronald S. Lauder Foundation, gevestigd in New York.

De vraag is wat het effect zal zijn van door Amerikanen gesponsord jodendom in een land waar joden nog steeds als min of meer sinistere buitenstaanders gelden. Voor de oorlog, toen ten minste eenderde van de bevolking van Warschau joods was, werden joden niet beschouwd als een grote minderheid, maar als aparte natie, en zo zagen de meeste joden zichzelf ook.

Ik reis naar Ponsk met een jonge student sociale wetenschappen uit Warschau, Jarek Lipszyc. In de bus vertelt hij dat hij is opgegroeid in een doorsnee Pools gezin. De enige aanwijzing dat er joods bloed in de familie zat, was zijn achternaam. Hij sloeg er geen acht op, tot hij een paar jaar geleden een joodse vriend leerde kennen. Ze besloten het jodendom te onderzoeken. Het had de aantrekkingskracht van een exotische en nog steeds bijna verboden vrucht.

Het jodendom is 'intellectueler' dan het katholicisme, zegt Jarek. Het jodendom is voor een elite, vindt hij. Jarek leert Hebreeuws, werkt mee aan Midrasz, hij gaat naar de synagoge en heeft een joodse vriendin, Ruta. Jareks vader vindt het allemaal nogal verwarrend. Zijn moeder is er uitgesproken tegen: wie wil er nou joods zijn in Polen? Daar kan alleen maar ellende van komen.

Het gebruikelijke cliché over Polen is dat het een land van antisemieten zonder joden is. Onder het communistische bewind was een joodse achtergrond ofwel niet van belang, ofwel iets dat je beter stil kon houden, wilde je niet slachtoffer worden van de periodieke zuiveringen die de Communistische Partij aanrichtte. Joodse scholen werden opgeheven, synagoges gesloten of verwaarloosd. De enige tekenen van georganiseerd joods leven waren een sociaal-culturele organisatie, die communistisch was, en een religieuze organisatie die door communisten gecontroleerd werd. Wie joods wilde leven, emigreerde, naar Israel of de Verenigde Staten.

Officieel is het aantal nog in Polen levende joden ongeveer 5.000, merendeels oude mensen, die in een handvol slecht onderhouden gebedsruimten bij elkaar komen om hun diensten te houden, ruzie te maken en Jiddisch te spreken. De onofficiële schatting van het aantal is 30.000. Hoe dan ook, hun getal is sinds het begin van de jaren negentig stijgende. Fatale ziekte of ouderdom brengen ouders, die zich altijd voor niet-joden hadden uitgegeven, ertoe hun kinderen eindelijk de waarheid te vertellen. Recent geopende archieven stellen mensen in staat hun voorouders op te sporen. Mensen die katholiek waren opgevoed door pleegouders en zo aan de vernietiging ontkwamen, ontdekken wie hun werkelijke ouders waren. Ik hoorde het verhaal van een boer die van zijn stervende 'vader' te horen kreeg dat hij de boerderij niet kon erven, omdat zijn echte ouders joden waren. Het was de eerste keer dat hij hier iets over hoorde. De oude man had van hem gehouden als van een zoon, maar bloed is bloed en grond is grond. Een jonge vrouw die anoniem wil blijven, vroeg haar moeder naar de naam van haar grootmoeder: Weintraub. 'Joods', zei haar moeder; en daarmee was het gesprek ten einde. De jonge vrouw ging over tot het orthodoxe jodendom en hoopt huwelijksbemiddelaarster te kunnen worden.

Mensen die willen weten wat ze met hun pas ontdekte identiteit moeten aanvangen, wenden zich vaak tot Michael Schudrich in Warschau, een orthodoxe rabbijn uit New York. Schudrich, een gemoedelijke veertiger, wordt door de Ronald S. Lauder Foundation betaald om hun te leren weer joods te worden. Dat wil zeggen, hij wijst hun, uiteraard op hun verzoek, de weg naar de orthodoxie. Zijn kantoor is gevestigd in een vooroorlogs gebouw naast de Nozyk-synagoge. Tijdens ons gesprek handelt rabbijn Schudrich telefoontjes af van Polen die willen weten hoe ze naar Israel moeten emigreren, wat ze moeten doen met plannen voor een monument in een voormalig vernietigingskamp en of dit joodse massagraven nu wel of niet zal ontheiligen, en waar ze kosjere chocola kunnen krijgen. De rabbijn beantwoordt de vragen in Engels of in Pools met een New-Yorks accent. Hij zegt: “Voor de oorlog zouden wij hierheen zijn gegaan om te studeren. Hier lagen het hart, de armen, de benen, de nieren, de pink van de joodse traditie. Nu moet deze bijdehante Amerikaanse rabbijn komen om hen te helpen.”

Vrijdagavond hoor ik rabbijn Schudrich in de Nozyk-synagoge de gebeden lezen. Afgezien van het Amerikaanse accent van de rabbijn zijn er in de synagoge meer eigenaardigheden, die iets onthullen over de situatie van Polen en de Poolse joden. De hoofdingang is geschroeid en de muren van de hal zijn zwartgeblakerd, als gevolg van een aanslag met een brandbom in februari. Niemand werd gearresteerd. Leden van alle politieke partijen, uitgezonderd de rechtse, hielden een protestbijeenkomst. De katholieke kerk zond slechts een boodschap van medeleven.

De rol van de katholieke kerk in Polen is gecompliceerd, ze is niet bijzonder vriendelijk tegenover de joden. Het komt geregeld voor dat Poolse prelaten spreken over samenzwerende joden, die altijd kritiek hebben op Polen. Dit bleek in 1989, toen de zusters van de orde der karmelietessen op de plaats van het kamp Auschwitz een groot kruis hadden laten zetten, in de hoop daar een klooster te kunnen vestigen. Aangezien de meeste Polen Auschwitz beschouwen als een plaats van Pools martelaarschap en Polen met de katholieke kerk geïdentificeerd werden en worden, konden maar weinig Poolse katholieken hier kwaad in zien. Joden, aangevoerd door een militante rabbijn uit New York, wel en ze organiseerden een demonstratie. De Amerikanen werden gemolesteerd door Poolse arbeiders. Buitenlandse kranten maakten hier melding van en meteen begon de Poolse kardinaal Glemp over de door joden gedomineerde mondiale media, die het altijd op Polen voorzien hebben.

Wat nog meer opvalt in de synagoge is de leeftijd en het uiterlijk van de mensen die er bidden. Er zijn een paar oude mannen. Enkele Israelische en Amerikaanse toeristen. Maar het merendeel van de ongeveer dertig mensen die zich deze vrijdagavond in de synagoge verzameld hebben, is voor in de twintig en zij zien eruit als typische jonge Polen: helblond haar, blauwe ogen, spijkerbroek. Eén jonge man draagt een keppeltje op zijn rastakapsel. Jarek Lipszyc of zijn vriendin Ruta zie ik niet, maar ik herken andere zogenoemde 'nieuwe joden'. Voor me staat Maciej, een vijfentwintigjarige jongeman uit Lublin, sjokkelend in het Hebreeuws te bidden. Gravend in de archieven van het Joods Historisch Instituut ontdekte hij dat zijn grootvader, die in de oorlog omkwam, joods was. Boven ons kijkt vanaf de vrouwengalerij de verloofde van Maciej, de huwelijksbemiddelaarster in spe, die ontdekte dat de naam van haar grootmoeder Weintraub was.

Zelf opgevoed in een niet-gelovige, halfjoodse familie, voel ik me enigszins opgelaten tussen de gelovigen. Ik ken de gebeden niet en ik zou niet weten wat ik moest doen. Doen alsof ik bid? Mijn knieën buigen? Is er nog een restje joodsheid dat ik met Maciej gemeen heb, met Jarek of met de huwelijksmakelaarster?

Het heeft iets ironisch, dat deze jonge mensen een leefwijze zoeken waaraan mijn grootouders zich juist hadden ontworsteld. Maar wat hebben ze anders om nieuw leven in te blazen? De nieuwe Poolse joden moeten van voren af aan beginnen. Je kunt moeilijk geassimileerde joden verwachten als er geen joden zijn om te assimileren.

Als ik oudere mensen wil zien, moet ik de volgende dag terugkomen, zegt rabbijn Schudrich na de gebeden. Velen hebben de oorlog overleefd in dwangarbeiderskampen in de Sovjet-Unie. Ik had al gehoord dat de verhouding tussen de oude en de nieuwe Poolse joden gecompliceerd en zelfs vijandig is. De Jiddisch-sprekende overlevenden waren eraan gewend geraakt dat ze de laatste, eenzame Poolse joden waren. Die status is alles wat ze nog over hadden. Marek Edelman, de enige overlevende leider van de opstand in het getto van Warschau, zei tegen Konstanty Gebert, oprichter van Midrasz: 'Jullie zijn nep, een literair verzinsel. Het joodse volk is dood, jullie hebben jezelf verzonnen om origineel en exotisch te zijn.'

Een andere vorm van scepsis ten aanzien van de nieuwe joden koesteren buitenlandse bezoekers, in het bijzonder de overlevenden die in Israel of de VS wonen. In een grote ruimte in het Joods Historisch Instituut, met stellingen vol archieven met namen van overlevenden, getuigenissen, familiegeschiedenissen en documenten uit de Tweede Wereldoorlog, ontmoet ik Adam Helfand uit Californië. Helfand, geboren in odz, en overlevende van Auschwitz, is voor de eerste keer sinds de oorlog terug in Polen. Hij liet zijn twee zoons zien waar hij vandaan kwam.

Helfand, een kleine, tanige man, vertelt me dat de herinneringen hem overspoelen en dat hij ineens weer Pools kan spreken. Hij zegt dat Polen voor de joden dood is. Ik vraag hem wat hij vindt van de jonge Polen die tot het joodse geloof komen. 'We moeten blij met hen zijn', zegt hij, 'maar ze zouden naar een ander land moeten verhuizen.' Dit is nu precies wat jonge Poolse joden zo ergert. Maciej wil een moderne, orthodoxe Poolse jood zijn. Zijn verloofde wil een Pools-joodse huwelijksmakelaarster zijn.

De eerste 'nieuw-joodse' golf werd op gang gebracht door de anti-joodse zuivering in de Communistische Partij na de zege van Israel in de Zesdaagse Oorlog in 1967. Konstanty Gebert en zijn vriend Stanisaw Krajewski zijn allebei opgevoed door communistische ouders, verlichte atheïsten voor wie joods-zijn niet eens de moeite van het vermelden waard was. Toen begon in 1968 de campagne tegen hen die geen 'echte Polen' waren en wier loyaliteit elders zou liggen. Gebert herinnert zich dat hij van zijn middelbare school werd gestuurd en op straat in elkaar werd geslagen. Hij realiseerde zich dat zijn ouders ongelijk hadden gehad: joods-zijn deed er wel degelijk toe, misschien niet voor hen, maar wel voor de lui die hem aftuigden.

Gebert, Krajewski en anderen, joden en niet-joden, vonden elkaar in een soort ondergrondse subcultuur. Onder het communisme was de aantrekkingskracht van de religie sterk. Het was tenslotte een vorm van rebellie. En toch wist niemand van de nieuwe joden precies wat ze met hun ontluikende identiteit moesten aanvangen. De oude, Jiddisch-sprekende mannen in het gebedshuis ontvingen hen niet met open armen. Ouders waren geschokt of bezorgd. Dus lieten de nieuwe joden zich boeken toesturen uit Amerika: leerboeken Hebreeuws, boeken over de Holocaust, boeken over de joodse tradities. “Onze joodse taal is Amerikaans”, zegt Gebert.

Na de boeken kwam de Amerikaanse psycholoog, Carl Rogers, die eind jaren zeventig naar Warschau ging om een enorme encounter-sessie' te organiseren. In Berkeley of in Amsterdam werd van deze sessies verwacht dat ze ons zouden bevrijden van reactionaire zaken als 'patriarchale tradities' en ons zouden helpen bij het vinden van onze weg naar een utopische toekomst. Maar in het mislukte Utopia van communistisch Warschau leidden deze sessies juist tot de weg terug naar de oudste tradities, in het geval van Gebert en Krajewski het jodendom.

Vanwaar deze fixatie op een tamelijk beperkte wereld? Waarom die hunkering naar gebed, traditie, spijswetten en al het andere? Krajewski zegt dat hoe 'joodser' hij leeft, hoe meer hij zich door niet-joden geaccepteerd voelt. Als je er om zo te zeggen openlijk voor uitkomt, hebben de mensen niet meer het gevoel dat je iets verbergt. lk schrik, omdat het nog eens de algemene veronderstelling onderstreept dat er een natuurlijke scheidslijn tussen Polen en joden is. Zelfs de Poolse joden die ik sprak, hadden het over 'Polen' wanneer ze niet-joden bedoelden. Het nieuwe jodendom lijkt goed aan te sluiten bij de resten van antisemitisme: het maakt de joden weer zichtbaar en aanwijsbaar 'vreemd'.

Om de meest in het oog springende restanten van het joodse verleden te zien moet men naar Kraków, dat juweel van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, op ruim een uur afstand van Auschwitz. Daar, in het oude, vervallen stadsdeel, zeg maar sloppenwijk, Kazimierz vindt men de folkloristische, de Hollywood-kant - sinds Schindler's List - van de joodse revival. Steven Spielberg heeft de smalle straatjes en afbladderende huizen van Kazimierz als decor gebruikt voor het joodse getto in oorlogstijd. (Het echte getto lag in een aanmerkelijk minder pittoresk stadsdeel aan de andere kant van de rivier de Wisa.)

Op het hoofdplein van Kazimierz bevinden zich joodse koffiehuizen, joodse boekwinkels en joodse restaurants, waar uitvoeringen van joodse muziek en dans worden gegeven voor toeristen en niet-joodse Polen. In café Ariel kan men zich opgeven voor 'Schindler's-List-tochtjes' en 'Auschwitz-Birkenau-tours'. Er stopt een bus, die een zwerm oudere Duitse toeristen loslaat. Ze maken foto's van pasgeschilderde Hebreeuwse uithangborden en ongebruikte synagoges, en vragen dan de weg naar het huis van Schindler.

Moet het joodse leven bestaan uit folklore, uit orthodoxie? Moet de heropleving van het jodendom eruitzien als een schilderij van Chagall? Ik werd in Kraków het meest getroffen door iets dat letterlijk mijlenver lag van de vervallen straatjes van Kazimierz. Op het grootste plein van Kraków staat het Nationale Museum, vol negentiende-eeuwse Poolse kunst, van wisselende kwaliteit, maar wel symbolen van diepgevoeld patriottisme. En hier, in de muur gebeiteld, staan de namen van de plaatselijke notabelen die geld schonken voor het museum en in 1869 in het stadsbestuur zaten. Ongeveer de helft van de namen was joods. Het zal veel moeilijker zijn deze beschaafde Pools-joodse symbiose te doen herleven, dan het vrijdagavondgebed of de horadansen in Kazimierz.

Het vraagstuk hoe in een geseculariseerde wereld joods te zijn, is niet typisch Pools. Bij Amerikaanse en West-Europese joden die het religieuze leven achter zich hebben gelaten, is vaak van hun joodsheid niet veel meer over dan vage familieherinneringen, een voorliefde voor Woody Allen en bagels, en soms een morbide preoccupatie met de Holocaust. Die laatste optie, de sacralisering van de Holocaust, stond voor jonge Polen niet open. Onder het communisme waren de officiële slachtoffers van de vernietigingskampen van de nazi's geen joden, maar Poolse burgers. Er bestond evenmin een moderne joodse lekencultuur om in op te gaan. “Liberaal secularisme werd gedood door het communisme”, merkt Gebert op. En zo bleef alleen de religie over.

Helena Datner is de dochter van een beroemde joodse historicus, Szymon Datner. Ze is ook de moeder van Ruta, de vriendin van Jarek Lipszyc. Helena heeft altijd geweten dat ze joods was, maar ze wist weinig van de joodse cultuur of godsdienst. Haar vader was een seculiere zionist, die niet veel aandacht had voor religieuze zaken. “De eenvoudigste manier om joods te zijn, is religieus te zijn”, vertelt Helena nu. “Dan weet je stap voor stap wat je moet doen. Dan kun je bijna méten hoe joods je bent.”

Net als haar moeder is Ruta meer geïnteresseerd dan vroom. Haar moeder heeft haar in contact gebracht met de gemeenschap van rabbijn Schudrich. Ruta nam deel aan een zomerkamp, wat haar maar matig beviel. “Te veel Amerikanen.” Zij vertelt dat in het begin, in 1988, bijna alle leraren in de joodse zomerkampen Amerikanen waren. En hoe ze jonge Polen probeerden te leren Amerikaanse joden te worden. “Ze zijn te orthodox en ze leggen het er te dik bovenop. Ik weet dat het jodendom ook muziek en dans inhoudt, maar je hoeft er niet zo'n show van te maken. En ze begrijpen blijkbaar ook niet dat hier vijftig jaar lang níets was. Je kunt niet van de ene dag op de andere zo orthodox worden. Ik kan het niet. Kosjer eten, de sabbat, de omgang met jongens - ze zijn net zo preuts als de katholieken.”

De religieuze orthodoxie is niet de enige Amerikaanse import die Ruta met onbehagen vervult. Ze is bang dat veel dingen van waarde in Polen dreigen te worden weggedrukt door de Amerikaanse populaire cultuur. Goede Poolse films zijn er niet meer. De mensen willen alleen Hollywood-films zien. Het lijkt een curieuze paradox dat Ruta zich zowel door de Amerikaanse populaire cultuur als door de Amerikaanse religieuze orthodoxie bedreigd voelt. Het een is universeel en hedonistisch, het ander het tegengif van het traditionalisme. Maar het is alleen paradoxaal als je ervan uitgaat dat het vrije-marktkapitalisme de vijand van de religieuze orthodoxie is. En dat is niet zo, zoals je aan de VS zelf kunt zien. Als religie vrij op de markt is, gedijt ze evenzeer als junk food. De VS zijn groothandelaar in geloof en Hollywood-films geworden.

In het vroegere Oostblok heeft het communisme een vacuüm achtergelaten, dat zonder onderscheid alles opzuigt: Bruce Willis, Scientology, McDonald's, Pepsi-Cola en rabbijn Schudrich. Er is echter een verschil tussen het orthodoxe jodendom en Scientology. Het jodendom is geen nieuwe Amerikaanse cultus, maar een oude religie. Onder de nieuwe joden bevinden zich ongetwijfeld mensen die een pseudo-nirvana zoeken, maar velen willen oprecht de draad van de geschiedenis opnemen en de traditie aan hun kinderen doorgeven.

Ik praat met Konstanty Gebert over de brandbom in de synagoge. Hij zegt dat niet de dader hem zorgen baart, maar de algehele onverschilligheid over de daad. Polen heeft niet het monopolie op antisemieten of bommengooiers. Er zijn er evenveel of misschien wel meer in Frankijk. Maar de meerderheid van het Franse volk beseft dat racisme een bedreiging is voor de democratie. In Polen is antisemitisme geen taboe. “Het Poolse antisemitisme beangstigt me”, zegt Gebert. “Niet als jood, maar als democraat.” Pas wanneer Polen een gevestigde, open, democratische maatschappij is, wordt nationaliteit een kwestie van staatsburgerschap, niet van bloed of godsdienst.

Op reis van Lublin naar Warschau staar ik uit het treinraampje naar het vlakke Poolse landschap: berken, dennen en kaarsrechte zandpaden, die in de bossen verdwijnen. Het landschap heeft van zichzelf niets sinisters, het zijn de associaties. Dit is de plaats waar het allemaal gebeurd is. Over deze spoorlijnen reden de treinen naar Majdanek, Bezec en Sobibor. Dit is het laatste landschap dat miljoenen mensen uit heel Europa zagen, voordat ze werden vermoord.

We rijden door dorpjes met grauwe vooroorlogse stationnetjes en oude goederenwagons die op zijsporen staan te wachten. En ik denk aan de associaties: het zijn niet mijn eigen herinneringen, maar beelden uit films, oude foto's, verhalen die ik heb gelezen of gehoord. Tegenover me zit een jong Pools paar, allebei in stonewashed spijkergoed, te knuffelen. Zij kijken niet uit het raam. Voor hen is het landschap normaal. En zo hoort het ook, je kunt een landschap evenmin stigmatiseren als een volk.

    • Ian Buruma