De jacht op miljarden dollars aan schadeclaims; U heeft silicone borstimplantaten, maar geen klachten? Bel toch!

Sinds de producent van silicone borstprothesen na een overstelpende hoeveelheid toegewezen schadeclaims zijn faillissement heeft moeten aanvragen, proberen de advocaten de betrokkenheid van de chemiegigant Dow Chemical aan te tonen. Een gerechtelijke uitspraak afgelopen maandag bracht hen een stap dichterbij deze bron voor nog eens miljarden aan schade-uitkeringen. Intussen is er wetenschappelijk geen enkele aanwijzing dat silicone enigerlei ziekte veroorzaakt. Hoe heeft het zover kunnen komen? Een reconstructie.

De dertig vrouwen die maandag getuige waren van de uitspraak van de jury van de rechtbank van Louisiana in New Orleans weenden van blijdschap. Na een vijf maanden durend proces was de jury binnen nog geen zeventien uur beraadslagen tot de slotsom gekomen dat het reusachtige Amerikaanse bedrijf Dow Chemical Co. nalatig is geweest bij onderzoek naar de risico's van gebruik van siliconen in borstimplantaten. Het bedrijf zou bewust informatie hebben achtergehouden, willens en wetens misleidende uitspraken hebben gedaan en samengezworen met de eigenlijke producent van prothesen, Dow Corning Inc., zijn buurman in Midland (Michigan). Dow Corning is een zelfstandig bedrijf dat voor de helft eigendom is van Dow Chemical Co. en voor de andere helft van Corning Inc.

De dames knuffelden elkaar toen de conclusie werd voorgelezen, meldt Christi Daugherty van het persbureau Reuter, die in de rechtszaal zat. “Dit bevestigt wat we al die tijd al beweren. We hebben een product in ons lichaam gehad dat niet veilig was,” stamelde Connie Hebert uit Avondale (La.). “Onze klachten moeten worden onderkend door de medici,” zei Nikki Kaufman uit Algiers (La.), “zodat ze op zoek kunnen naar een manier om onze ziekten te behandelen in plaats van ons door te verwijzen naar psychiaters die anti-depressiva voorschrijven.” Raadsman John O'Quinn zei dat de uitspraak “maar weer eens aantoont dat er met een Amerikaanse jury niet te dollen valt.”

Voor Dow Chemical kwam de uitspraak als een nieuwe mokerslag in een niet aflatende reeks, hoewel John Scriven, de belangrijkste juridische adviseur van de onderneming in een eerste reactie ervan overtuigd zei te zijn is dat de vrouwen geen stap verder meer komen.

Met deze uitspraak in de hand gaan de klaagsters op 29 september de volgende procedure in, die duidelijk moet maken of zij inderdaad ziek zijn geworden van de implantaten. Dat zal volgens Scriven nooit lukken. Uiteindelijk, na in totaal vier van dergelijke processen zou de hoogte van een eventuele schade-uitkering moeten worden bepaald. Als het al zover mocht komen dan zal die - naar het zich laat aanzien - niet gering zijn. Tot op heden waren het steeds individuele patiënten die naar de rechter stapten. Nu zijn in één keer zo'n 10.000 uitkeringen in het geding, want de acht vrouwen die de procedure voeren doen dat mede namens zoveel lotgenoten.

Dow Chemical is steeds redelijk buiten schot gebleven, nadat de silicone-affaire in '92 full swing aan het rollen kwam. Voor die betrokkenheid heeft Frederick Ellis gezorgd, een advocaat in Boston die een onderzoek uit 1975 onder de motteballen vandaan heeft gehaald. Drie jaar geleden kwam hij met de beschuldiging dat behalve Dow Corning ook Dow Chemical van dat onderzoek wist en expres heeft verzwegen. Het betreft een studie bij muizen met gezuiverde silicone (D4), die zelf geen schade aan het afweersysteem aanricht, maar dat wel kan doen in combinatie met een andere substantie die overigens weer niet in silicone implantaten voorkomt. Bij muizen bleken grote hoeveelheden D4 dodelijk, bij mensen - ook in gigantische hoeveelheden - niet. De resultaten van de studie lijken dan ook van geen enkel belang, maar het feit dat ze niet zijn gepubliceerd - of niet gepubliceerd konden worden - wel, want dat voedde opnieuw de verdenking dat er iets goed mis is. “Dit is absoluut de nagel aan Dow Chemicals doodskist,” vertelde een tevreden Ellis na zijn vondst in april 1994 aan The New York Times.

Dow Corning was toen al niet meer het enige interessante mikpunt. Het zou een jaar later formeel faillissement aanvragen en produceerde al sinds 1992 geen silicone borstimplantaten meer.

Dow Corning is geen dochter van Dow Chemicals, maar een onafhankelijke vennootschap. Dow Chemical ontvangt dividend van het kapitaal dat in Dow Corning is geïnvesteerd, maar heeft met de gang van zaken in dat bedrijf niets te maken. Dat gegeven maakte voor de betrokken advocaten kennelijk niet veel verschil, want geld heeft Dow Chemical wel.

Dow Corning Corporation werd door Dow Chemical en Corning Glass Works in 1943 opgericht om produkten te ontwikkelen waarin siliconetechnologie wordt toegepast. Het ging in die tijd vooral om producten die bij de oorlogvoering dienstig konden zijn. Tussen 1940 en 1970 gebruikten onderzoekers de laboratoria van buurman Dow Chemical om giftigheidsonderzoek te doen naar het gebruik van siliconen voor industriële toepassingen. Geen van die onderzoeken onder het dak van Dow Chemical hebben overigens ooit betrekking gehad op borstimplantaten, zo stelt Dow Chemical met nadruk.

De geschiedenis van de borstimplantaten gaat inmiddels 35 jaar terug. In 1962 ontwikkelden twee artsen van de Baylor Medical University in Texas - Gerow en Cronin - voor het eerst silicone borstimplantaten voor vrouwen bij wie borsten zijn geamputeerd. Datzelfde jaar kocht Dow Corning de octrooirechten en begon met de produktie. Twee jaar later kwam de commerciële verkoop op gang. Hoewel Dow Corning altijd de belangrijkste producent van het product is gebleven, vertegenwoordigden de prothesen slechts één procent van de omzet en bleken zij bovendien niet winstgevend te zijn. Het bedrijf bleef ze niettemin produceren.

Tot begin jaren negentig is er hoegenaamd nooit iets aan de hand geweest, ook al hebben meer dan een miljoen Amerikaanse vrouwen ze geïmplanteerd gekregen. Een eerste signaal dat de borstprothesen op de korrel zouden worden genomen kwam echter al aan het eind van de jaren zeventig, toen advocaat Richard Mithoff in Houston voor een cliënte naar de rechter stapte, zo blijkt uit een artikel van het blad Fortune van oktober 1995 onder het kopje 'Lawyers from hell'. De vrouw had een reeks operaties achter de rug sinds het zakje met silicone was gescheurd. Mithoff stelde niet dat de silicone had gezorgd voor een auto-immuunziekte, zoals jaren later op grote schaal zou worden geclaimd. Hij bracht domweg naar voren dat het scheuren van het zakje en de operaties, die er op volgden voor een hoop 'gederfde levensvreugd' hadden gezorgd die moest worden gecompenseerd. Het was een gok van de advocaat. Bij succes strijkt hij een kwart tot een derde van het geclaimde bedrag op, krijgt hij de rechtbank niet mee dan draait hij op voor alle proceskosten. Hij won. Zijn cliënte kreeg 170.000 dollar toegewezen. “In die tijd dachten we nog dat dat een hoop geld was,” sprak Mithoff twee jaar geleden.

Anders lag de zaak met Maria Stern, die in 1982 een advocatenkantoortje in San Francisco binnenstapte, waar de net afgestudeerde Dan Bolton werkte. Bij haar was een silicone borstimplantaat gescheurd en zij klaagde over pijntjes en chronische vermoeidheid. Haar dokter wist er geen raad mee en zei dat de oorzaak van de problemen mogelijk lag in het lekken van silicone, hoewel in de medische literatuur niets te vinden was dat een mogelijk verband legde.

Maria Stern wilde producent Dow Corning voor de rechter slepen. Niet enkel omdat het implantaat was gescheurd, maar omdat het bedrijf iets had verkocht dat haar ziek had gemaakt.

De onervaren Bolton wist toen nog niet dat hij in Dow Corning bepaald geen geharnaste tegenpartij zou krijgen. In de eerste plaats was er op het gebied van medische kunst- en hulpmiddelen in de VS nauwelijks iets geregeld waarop het bedrijf terug zou kunnen vallen. Hoewel de implantaten sinds 1964 op de markt waren, was er nooit een strenge beoordeling door de Food and Drug Administration op het gebied van veiligheid geweest, zoals dat met bijvoorbeeld medicijnen wel het geval is. In zo'n situatie kan een advocaat er gemakkelijk op los scoren.

Een andere meevaller was het karakter van het bedrijf Dow Corning zelf, dat sinds de oorlogsjaren opgewekt producten en toepassingen had ontwikkeld voor silicone, één van de meest dankbare substanties die ooit is uitgevonden. Dow Corning had dat met ongekend succes gedaan zonder noemenswaardige concurrentie. In 1994 nog bedroeg de omzet 2,2 miljard dollar en maakte het bedrijf ruim 8.700 produkten op basis van silicone, van pace-makers tot hersendrains. De bedrijfscultuur ademde dan ook een bijna kinderlijke bewondering voor de eigenschappen van het materiaal waarmee werd gewerkt. Die wat onbekommerde levensopvatting binnen het bedrijf had wellicht ook te maken met de twee aandeelhouders, die de onderneming immer vriendelijk hadden bejegend. Zo kon een bedrijf floreren dat veel weg had van een door niets en niemand bedreigd eilandje. Het had nauwelijks ervaring met juridische processen, niet eens met onaardige publiciteit.

Dat verklaart wellicht ook de medewerking die Bolton van het bedrijf kreeg, toen de rechter in 1984 routinematig bepaalde dat het zijn archieven voor de advocaat moest openen. Voor een advocaat die niets van zijn beschuldigingen kan hard maken is dat vaak een aardige tegemoetkoming. Zeker als daarbij wordt opgeteld dat Dow Corning zijn vliegticket - first class - en zijn hotelovernachtingen betaalde. Bolton smulde van de archieven van het argeloze Dow Corning, waarin duizende memo's lagen opgetast van medewerkers die in de loop van de twintigjarige productie van borstprothesen hun indrukken over het implantaat hadden opgeschreven, bij wijze van vlugschriften aan collega's. Logisch dat een aantal daarvan handelde over kwesties rond de veiligheid van de silicone gel.

Sommige memo's getuigden van bezorgdheid over het gebrek aan data waarmee die veiligheid eventueel zou kunnen worden aangetoond. Bolton stuitte ook op memo's uit de jaren zeventig over 'inkapseling' van het implantaat door bindweefsel, waarna de silicone-zakjes kunnen gaan lekken. Dat probleem werd vooral opgespeeld door verkoop-managers bij de directie. Het hele scala van interne memo's behelsde twijfels over veiligheid, waar tegenover weer evenveel argumenten werden gesteld die daaromtrent juist garanties gaven. Maar daar had Bolton logischerwijs minder belangstelling voor. De memo's weerspiegelden niet meer dan een continu debat onder wetenschappers, die aan een medisch product werken. Eén ding is in elk geval zeker: geen van deze 'Dow documents' zoals ze later zouden worden genoemd, beantwoordde met zekerheid de centrale vraag, namelijk of silicone implantaten auto-immuunziekten kunnen veroorzaken.

Voor Bolton deed die vraag er ook niet toe. Hij distilleerde een dossier van 800 pagina's met bezwarende teksten en daar moest een beetje advocaat wel een jury mee kunnen overtuigen. Daarnaast wist hij nog een ex-medewerker van Dow Corning zo ver te krijgen tegen het bedrijf te getuigen en enkele 'experts' op te trommelen die bereid waren voor de rechtbank een eind weg te theoretiseren over de vraag of en hoe siliconen het immuunsysteem kunnen aantasten. Ook niet onbelangrijk was dat mevrouw Stern ter zitting een buitengewoon vriendelijke indruk op de juryleden maakte en zo kon het gebeuren dat het bedrijf in het voorjaar van 1985 werd veroordeeld tot een schade-vergoeding van 1,7 miljoen dollar.

Bolton had zijn collega's de truc voorgedaan, schreef Fortune in 'Lawyers from hell': beweer voor de rechter dat silicone borstprothesen ziek maken en heel veel geld valt je ten deel.

Het bleef niettemin rustig tot Bolton zes jaar later een tweede zaak kreeg, die van Mariann Hopkins. Haar klachten waren vrijwel identiek, maar de zaak kreeg nu een reusachtige belangstelling van radio en televisie, die aan Boltons eerste zaak konden refereren. Die publieke kruistocht tegen de borstprothesen was al eerder begonnen, om precies te zijn in 1988 toen het 'Ralph Nader Imperium' via Dr. Sidney Wolfe's Public Citizen Health Research Group een lobby begon voor een verbod. Die laatste club verhandelde complete juridische handleidingen voor 750 dollar per stuk aan advocaten die namens een cliënte de fabrikanten van deze produkten wilden aanklagen. Daarmee was de tijd rijp voor wat inmiddels in de VS bekend staat als 'mass tort'. Daarbij gaat het om een door een bedrijf begane, vermeende onrechtmatige daad jegens een groot publiek. Door het massale karakter van in wezen ongefundeerde aantijgingen wordt een bedrijf in het verderf gestort. Bolton was zo slim in zijn zaak voor mevrouw Hopkins ook nog eens de FDA erop aan te spreken, die prompt op 6 januari 1992 een moratorium afkondigde voor silicone borstimplantaten 'wegens de grote bezorgdheid omtrent de veiligheid daarvan'.

De internationale beroepsgroep van plastisch chirurgen was verbijsterd en vroeg de Amerikaanse Food and Drug Administration zo snel mogelijk de gegevens beschikbaar te stellen op grond waarvan de aanbeveling was gedaan voorlopig geen borstprothesen meer te implanteren. Daarop kwam geen gehoor.

Eigenaardig was dat het moratorium zo beperkt was. Silicone implantaten worden sinds 1952 in de geneeskunde gebruikt, bijvoorbeeld als gewrichts-, klep-, vaatwand-, testikel- en ooglens- prothese, in pace-makers en hechtmaterialen. Injectienaalden zijn bedekt met silicone, de stof komt voor in drinkwater en in voedingsmiddelen en wordt als omhulsel gebruikt bij tabletten en capsules. Hoe zeer de wereld ook verbijsterd was over wat zich in de VS voltrok, toen al was duidelijk dat het met Dow Cornings borstimplantaten voorgoed gedaan was. De ervaring leert dat voor - medische - produkten die zo'n oplawaai krijgen geen toekomst meer bestaat. Het 'moratorium' zou in eerste instantie slechts 45 dagen duren, maar werd om onbekende redenen almaar verlengd, wat als een definitief nekschot wordt gezien. Dow Corning had de FDA de jaren daarvoor overigens al voorzien van een dossier over het produkt dat meer dan 100.000 pagina's informatie bevatte.

De Association of Trial Lawyers of America zette een Breast Implant Litigation Group op, niet in de laatste plaats door het succes dat Dan Bolton boekte voor zijn tweede cliënte. Een jury in Californië was door hem overtuigd en kende zijn over een immuunziekte klagende patiënte 7,3 miljoen dollar toe. Hij zelf hield aan deze zaak 2,43 miljoen dollar over. De geloofwaardigheid van dit geval was nogal verzwakt doordat de artsen van de vrouw hadden verklaard dat ze al aan de ziekte leed vóórdat de prothesen werden geïmplanteerd. Maar dat heeft de jury klaarblijkelijk niet in de uiteindelijke beoordeling betrokken.

Deskundigen voorspelden dat Dow Corning wel eens het eerste bedrijf zou kunnen zijn dat een product van de markt haalt, enkel omdat de proceskosten de winst verre overstijgen. Dat bleek achteraf nog een understatement. Een voorname rol in de 'silicone-story' begon ook Salvador Liccardo te spelen, een advocaat die in 1969 al eens 1,25 miljoen dollar schadevergoeding voor zijn cliënte en hemzelf wist los te peuteren omdat de 'pil' die zij gebruikte blindheid had veroorzaakt. Liccardo ronselde in korte tijd negentig dames met silicone-implantaten voor wie hij naar de rechter stapte. Nog eens honderd stonden toen al op zijn lijst. De grote jongens blijven bij mass torts wegens de initiële risico's meestal aan de kant staan en voegen zich pas in de strijd als de beer werkelijk los is.

Volgens de advocaten die in die tijd door het blad Recorder werden geïnterviewd lagen er voor de cliënten en hun zelf miljarden in het verschiet. Het kantoor Shevick and Ravich begon vermeende slachtoffers per advertentie te werven. De advocaten van Dow Corning werden er moedeloos van. Voor hun bleek weinig eer meer te behalen, want in de rechtszaal speelde degelijke, wetenschappelijk gefundeerde argumenten geen rol, alleen 'junk science'.

Het aantal processen dat tegen de producenten van silicone borstprothesen werd aangespannen liep al snel in de duizenden. Er waren advocatenkantooren die adverteerden met de tekst: 'U heeft silicone borstimplantaten, maar geen klachten? Bel toch!'

De lawine aan zaken maakte het de fabrikanten onmogelijk zich te verweren. Er werd dus onderhandeld met de klaagsters over een 'mondiale minnelijke schikking', waartoe een fonds werd opgericht dat in totaal 4,75 miljard dollar zou uitkeren aan inmiddels tienduizenden klaagsters. Daarvan zou 25 procent in de portemonnees van de advocaten glijden.

Niet alleen Dow Corning fourneerde geld - twee miljard dollar - ook andere leveranciers die redelijk in de schaduw waren gebleven als Bristol Myers Squibb, 3M, Baxter Healthcare Corp. en Union Carbide namen er aan deel. Op dat moment hadden 145.000 vrouwen zich gemeld voor schade-vergoedingen.

Het duurde niet lang voor de overeenkomsten uiteen begonnen te vallen. Veel vrouwen namen er geen genoegen mee. Ook Nederlandse vrouwen gingen in hoger beroep. Zij wilden net zoveel schadevergoeding als Amerikaanse vrouwen. Volgens Dow Corning vroegen veel advocaten honderden miljoenen of zelfs miljarden dollars meer en dreigden met een stortvloed aan nieuwe processen. Nog eens honderdduizenden vrouwen meldden zich voor een schadevergoeding. Het 'schikkingsfonds' bleek snel volkomen ontoereikend, temeer omdat nog eens duizenden vrouwen buiten de regeling om bleven procederen.

Dow Corning bleek half mei 1995 zozeer in de problemen te zijn geraakt dat het uitstel van betaling vroeg op grond van artikel 11 van de Amerikaanse failissementswet. Zo'n procedure geeft een bedrijf ook de tijd zich te reorganiseren. De processen tegen Dow Corning werden er in elk geval door opgeschort. Formeel gaat het bij zo'n aanvraag 'om bescherming' tegen de buitenwereld. De Nederlandse Consumentenbond reageerde onmiddellijk bezorgd op het nieuws wegens de betrokkenheid van Nederlandse vrouwen - in totaal zo'n 2.600 - bij de processen.

Dow Corning moest wel. Het bedrijf stond de daarop volgende zes maanden bijna 200 processen om schadevergoeding te wachten. “Dat betekende potentieel een enorme aanslag op onze financiën en ons management, waardoor de bedrijfsvoering in gevaar kwam”, aldus topman Richard Hazleton.

Door de aanvraag van surséance krijgt het bedrijf de gelegenheid voor een financiële reorganisatie. “Het implantatenconflict was op een punt gekomen dat we deze stap moesten zetten om de fundamentele kracht van onze activiteiten in tact te houden en alle vrouwen met claims een eerlijke schadevergoeding te geven,” aldus Hazleton. Wat hem betreft bleef de schikking overeind. “Maar we hebben steeds gezegd dat we niet tegelijkertijd kunnen meebetalen aan de schikking én betrokken blijven bij talrijke processen daarbuiten.” Hazleton wees daarnaast ook nog eens op problemen die zijn bedrijf had bij het loskrijgen van geld van verzekeringsmaatschappijen.

In februari '95 was Dow Chemical al in beeld gekomen toen een rechtbank in Houston besliste dat ook dit bedrijf gedeeltelijk aansprakelijk was. De rechtbank in Reno (Nevada) veroordeelde Dow Chemical daarop tot schadevergoedingen van in totaal 14 miljoen dollar (22 miljoen gulden) aan een vrouw die ziek was geworden na de implantatie van silicone borstprothesen. Dat was in oktober '95. Voor het eerste was Dow Chemical in die zaak als enige gedaagd. De uitspraak was de eerste in de ruim dertienduizend zaken die inmiddels tegen Dow Chemical waren aangespannen.

Doordat Dow Corning uitstel van betaling had aangevraagd besloten de klaagsters massaal Dow Chemical direct aansprakelijk te stellen. Dow stelde echter niet te kunnen worden aangesproken als mede-eigenaar van Dow Corning. Bovendien wees het bedrijf er op nooit toepassingen van silicone voor borstimplantaten te hebben ontwikkeld, getest of geproduceerd. Maar juist omdat in de jaren vijftig bij het concern de siliconen van Dow Corning zouden zijn getest werd het bedrijf verantwoordelijk gehouden voor de schadelijke gevolgen. Dat testen betrof volgens Dow Chemicals uitsluitend de veiligheid van de werknemers die met silicone materiaal in aanraking kwamen tijdens een produktie-proces.

Intussen blijft de vraag hoe het nu zit met de feitelijke bewijsvoering. Want niet in elke Amerikaanse staat heeft Dow Chemical het lid op de neus gekregen. In september 1995 bijvoorbeeld wees het Gerechtshof in de staat New York alle claims af wegens gebrek aan bewijs en het volgde daarmee het oordeel van het Hof in Californië een jaar eerder.

Voorzover er al enig bewijs te vinden is voor het verband tussen lekkende implantaten en het ontstaan van auto-immuunziekten, moet die vandaag de dag nog boven tafel komen. In 1993 bleek uit groots opgezette onderzoeken in Maryland en Texas dat er geen verband aan te tonen was. Daarop volgden resultaten van studies in Canada en Duitsland, die hetzelfde lieten zien. Een jaar later bevestigden grote onderzoeken in Australische ziekenhuizen die uitkomsten. In datzelfde jaar liepen een aantal grote studies in Amerika's meest gereputeerde universiteiten en ziekenhuizen: Harvard in Boston, Johns Hopkins in Baltimore, de universiteit van Michigan en de gigantische Mayo Clinics die in verschillende Amerikaanse steden gevestigd zijn. Geen van alle zijn in staat een relatie aan te tonen. In dat jaar komt ook de Britse overheid tot de slotsom dat silicone implantaten veilig zijn en besluit ze in de handel te laten. In juni 1995 besluiten het Brigham and Women's Hospital samen met de Harvard Medical School nog maar eens dat er geen enkele wetenschappelijke bedenking tegen de implantaten te rechtvaardigen is, een conclusie waar ook het American College of Rheumatologists zich in oktober van dat jaar achter schaart.

Het was precies in die maand dat de jury van de rechtbank in Nevada besliste dat Dow Chemical niettemin schuldig is en kent een klaagster 14,1 miljoen dollar toe. Daarmee was ontegenzeglijk de stelling bevestigd dat Amerikaanse advocaten in dit soort gevallen 'geen bewijs nodig hebben, maar grote aantallen'. Dat is de wrede wetmatigheid van de 'mass tort'.