Bruegel heerste ook na zijn dood over zonen

Tentoonstelling: Brueghel - Breughel. Flämische Malerei um 1600; Tradition und Fortschritt. Villa Hügel, Essen. Dag. 10-17 uur, di en vr 10-21u). T/m 16/11. Catalogus: 535 pag., DM 50,-

Aan Pieter Bruegel de oudere is het onlangs verschenen deel van het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek (deel 47, Uitg. Waanders) gewijd

Toen Pieter Bruegel, de befaamde Antwerpse schilder van het buitenleven, in 1569 overleed, waren zijn zoons Pieter en Jan respectievelijk pas vijf en één jaar oud. Hoewel zij het vak dus niet van hun vader kunnen hebben geleerd, zouden ze later toch in diens voetsporen treden door zich te bekwamen in de schilderkunst. Nadat ook hun moeder voortijdig was gestorven, werden de broers opgevoed door hun grootmoeder, die ook al schilderde en hun de grondbeginselen van het vak heeft bijgebracht. De tentoonstelling in Essen over Jan en Pieter de jongere laat zien hoe de twee schilders zich omstreeks 1600 hebben ontwikkeld. En hoewel de expositie beoogt hun onderlinge artistieke relaties en de gezamenlijke afhankelijkheid van het voorbeeld van hun vader te beklemtonen, vallen vooral de verschillen in het oog.

Die beginnen al met de manier waarop ze hun achternaam spelden - een betrekkelijk irrelevant gegeven, maar de tentoonstelling besteedt er, tot in de titel, ruime aandacht aan. Waar vader Pieter altijd de Vlaamse vorm 'Bruegel' had gehanteerd, signeerde Jan met 'Brueghel', terwijl Pieter de jongere de familienaam nog verder verfranste door er 'Breughel' van te maken. Maar op de geëxposeerde schilderijen hoef je niet te speuren naar signaturen en hun schrijfwijze om het werk van de twee broers uit elkaar te houden. In stijl, themakeuze en uitvoering zijn hun oeuvres zo verschillend dat het gemakkelijk is uit te maken wat door wie is gemaakt.

De ondernemendste van de twee, en als schilder veruit de talentvolste, was Jan Brueghel (1568-1625), een man van de wereld die aan het begin van zijn carrière enkele jaren doorbracht in Italië, later naar Praag reisde en uitstekende contacten onderhield met verschillende Europese hoven. In Antwerpen groeide hij uit tot een van de belangrijkste en succesvolste meesters van zijn tijd.

De tentoonstelling opent met een zaal vol met zijn werken. Veelal zijn het landschappen die bijzonder delicaat op klein formaat zijn geschilderd. Aan dergelijk werk, met minutieus uitgevoerde vegetatie en opvallend vaak een in helder blauw geschilderd vergezicht dat het groen doorbreekt, dankt de schilder zijn bijnaam 'fluwelen Brueghel'. Maar Jan kende ook zijn beperkingen. Het weergeven van de naakte figuren die noodzakelijk zijn voor mythologische en allegorische voorstellingen, was duidelijk niet zijn fort. Daarom heeft hij vaak samengewerkt met collega-schilders als Hendrick van Balen en Joos de Momper. Zij zorgden voor de stoffage, terwijl Jan zich uitleefde in landschap, stilleven of bloemen- en fruitguirlandes die de scène omgeven. Vooral in de laatste categorie bereikte Jan verbluffende resultaten in de weergave van verleidelijk 'echt' geschilderde vruchten en bloemen.

In veel opzichten was Pieter Breughel (1564-1637/8) de tegenpool van zijn jongere broer. Hij is Jan niet gevolgd op verre reizen en hij bleef ver achter bij Jans maatschappelijk en economisch succes. Pieters werk ontbeert ook de hoge ambachtelijke kwaliteit van dat van Jan: het kenmerkt zich door vaak felle en harde kleuren, een wat houterige stijl met weinig aandacht voor ruimtewerking en perspectief. Maar Pieters belang ligt elders. Aanvankelijk zette hij de produktie van zijn vader voort, door hele composities of motieven uit diens werk te kopiëren. Daarmee kwam hij tegemoet aan de vraag naar boerenbruiloften, kermissen en landschappen van 'boeren-Bruegel'. Overigens moet dat kopiëren ingewikkelder zijn geweest dan het lijkt: Pieter had zijn vader immers nauwelijks gekend en veel van diens schilderijen waren al voor de buitenwereld onzichtbaar opgeborgen in particuliere collecties. Waarschijnlijk bezat Pieter wel tekeningen van zijn vader en kende hij gegraveerde en geschilderde kopieën naar werken van Pieter de oudere.

Toch zou het niet terecht zijn Pieter junior te beschouwen als louter een slaafse navolger van zijn vader. In de tentoonstelling is een groot aantal werken opgenomen waaruit Pieter als onafhankelijk en inventief kunstenaar naar voren komt. Niet alleen vormde hij de moraliserende voorstellingen van zijn vader soms om tot werken met een, althans ogenschijnlijk, minder beladen thematiek. Maar ook ontwikkelde hij eigen composities, waarin hij zich doet kennen als een kunstenaar met een scherp oog voor vertellende details. Bijna als een chroniqueur van zijn tijd legt Pieter in allegorieën van de seizoenen, voorstellingen van ambachten, kermissen en soms satirische scènes en portretten, veel vast van het zeventiende-eeuwse boerenleven.

Maar hoezeer hij er later in zijn loopbaan ook afstand van nam, toch is het werk van de oude Bruegel allesbepalend geweest voor dat van Pieter de jongere. En in deze tentoonstelling wordt ook de rol van de schilderkunst van de vader voor de ontwikkeling van Jan Brueghel benadrukt. Ook hij blijkt zich verschillende malen te hebben laten inspireren door het werk van zijn vader - zij het met meer variatie en eigen inbreng dan Pieter. Over zijn graf heen is Pieter Bruegel de oudere invloed blijven uitoefenen op de schilderkunst van de zoons die hun vader en de originelen van zijn werk amper hebben gekend. Net zo waart op deze mooie tentoonstelling ook slechts zijn geest rond: het is even toepasselijk als betreurenswaardig dat van hem geen enkel schilderij is geëxposeerd en de schitterend uitgegeven catalogus alleen zwart-wit foto's van zijn schilderijen laat zien.