Blauwbaard

Nu is de tijd aangebroken dat de inspanning in de moestuin eindelijk zijn vruchten afwerpt: de productie is in volle gang. Als een allegorische voorstelling van 'De Overvloed' kom ik van de volkstuin terug, beladen met tassen vol tomaten, courgettes, komkommers en paprika's.

Deze maand is onafscheidelijk met deze groentes verbonden, fietstassen vol, bergen ervan in de keuken; soms is het of ze vanaf een lopende band op me werden afgevuurd, vlugger en vlugger, en ik sta daar wanhopig proberend ze te verwerken. Voor zelf geteelde groente immers is de composthoop de diepste nederlaag.

Zo is er bijvoorbeeld niet veel toekomst voor courgettes die te groot zijn geworden. Je zou ze alleen maar eten als je niet wist hoeveel lekkerder de kleintjes zijn, die van een paar dagen oud, nauwelijks meer dan een beginnende vrucht en veel te klein voor de groenteboer. En toch is het moeilijk om weg te gooien, in koelen bloede, deze opbrengst van je eigen harde werk (al minder moeilijk wanneer het van iemand anders komt) en zo blijven de jumbo-courgettes op het rek liggen. Als ze beginnen te rotten doe ik ze weg.

Niet alle courgettes die ik zelf gezaaid had, de golfbalsoort genaamd 'Courgette ronde de Nice', hebben het overleefd en dus moest ik er een paar planten bijkopen op de veemarkt (hier in het landelijke Leiden kun je groente-planten kopen op de wekelijkse veemarkt, waar het praten over de prijzen bemoeilijkt wordt door het loeien van de kalveren). Een van de daar gekochte heeft zich ontwikkeld tot de grootste courgetteplant die ik ooit heb gezien, misschien door al de regen die zij zo vroeg in haar leven heeft ontvangen; zij heeft nu het formaat van een groot model clubfauteuil en zou een gezin de hele zomer kunnen voeden.

Ook de tomaten zijn overvloedig; de beste zijn nog steeds 'Gardener's Delight'. Dit jaar heb ik ook een Italiaanse plum-tomaat op proef: 'San Marzano', uit de Organic Gardening Catalogue (Coombelands House, Addlestone, Surrey KT15 1HY, 01932-820959). Er bestaan zoveel soorten tomaten dat ik verrast was volkomen toevallig degene te vinden die genoemd wordt in The Essentials of Classic Italian Cooking van Marcella Hazan: “De authentieke smaak van de Napolitaanse pizza”, schrijft zij, “dankt veel aan de goed rijpe, stevige, verse San Marzano plum-tomaten die rauw bovenop het beleg gaan.” Als ik nu naar mijn planten kijk, zie ik ze al in plakjes op de pizza liggen, maar ze zijn nog niet rijp genoeg om dat echt te doen.

De andere vrucht die met deze tijd van het jaar in verband wordt gebracht, inheemser en minder bewerkelijk dan de tomaat, is de braam. Ik vind het bijna onsportief, tamme bramen in de tuin; je moet de dreven in en ze zoeken, zoals in het gedicht van Seamus Heaney 'Blackberry-Picking', waarin beschreven wordt hoe summer's blood in ze zit en de lust for picking maakt dat je er op uit trekt met milk-cans, pea-tins en jam-pots.

Maar ze in de tuin hebben betekent dat je in een paar minuten genoeg bij elkaar kunt plukken voor een bramensorbet, het niet te evenaren nagerecht van de maand augustus. Er bestaat een meeslepend boekje van Philippe Delerm over minieme genoegens (La première gorgée de bière et autres plaisir minuscules, L'Arpenteur, 1997) en daar staat ook een hoofdstuk in over bramen plukken, een ritueel voor het eind van de zomer en vóór de rentrée scolaire. Ook hij is een liefhebber van de bramensorbet, vooral dezelfde avond nog gegeten. Het beste recept ervoor dat ik ken komt uit Summer Cooking van Eilzabeth David: “Kook 125 gr suiker met 150 ml water samen met twee geraniumblaadjes gedurende 5 minuten om siroop te maken. Laat afkoelen. Zeef 500 gr bramen, meng met de siroop en bevries het.” Een ijsmachine is daar niet onmisbaar voor, je kunt het ijs na een uur of twee, drie uit de freezer halen, wanneer de randen bevroren zijn maar nog niet het midden; meng het in een mixer en vries het daarna opnieuw in.

Niet lang geleden was ik bij avond op de volkstuin, bezig de tomatenplanten te fatsoeneren. Ik houd niet zo van de aanblik van een perfect onderhouden tomatenplant, netjes getopt na de zesde tros vruchten, de onderste bladeren er af, in een wurggreep aan zijn stok vastgemaakt of opgebonden met touw. Ze herinneren me aan de flamingo's in het croquetspel uit Alice through the Looking Glass, met hun lange dunne knobbelbenen en hun slechte humeur. Een idioot vooroordeel, want ik ben er zeker van dat je van zulke planten veel meer opbrengst krijgt dan van de mijne, die een beetje te ver zijn doorgeschoten in de richting van struikgewas. Een paar ogenblikken van onbedachtzaamheid - of een vakantie - op het kritieke moment en de plant heeft meer 'dieven' dan gewone takken.

Verloren in deze bezigheid, diep in die lekkere tomatenplantgeur, had ik niet gemerkt dat het snel donker werd, en de bramen moesten nog geplukt. Een tuin ver van je huis hebben betekent dat je hem alleen maar op de werktijden ziet, zoals een kantoor; dit was de eerste keer dat ik er was bij het invallen van de nacht. 's Nacht bramen plukken moet iets zijn als in het donker een koe melken; het is een soort intuïtie die de hand naar de rijpe vruchten doet uitgaan - of zo lijkt het tenminste. Een andere lichtbron dan de lamp van mijn fiets had ik niet en zo kon ik thuis pas zien wat ik geplukt had.

Maar voor het zover was keek ik rond in de tuin: alle groene kleuren waren verdwenen, er was alleen nog maar licht en donker. Een rij Lavatera trimestris 'Mont Blanc' lichtte op uit het grijs, hun witte bloemen bijna lichtgevend, met een koud, papierachtig licht. De maan was gigantisch, geel, een oogstmaan, en mijn handen waren, in de woorden van Heany, 'zo kleverig als die van Blauwbaard.'