Zaak-Bouterse zowel politiek als justitieel

Minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) heeft onlangs afgezien van een verzoek aan Brazilië tot aanhouding van Desi Bouterse. Formeel is dit een justitiële, in de praktijk vooral een politieke zaak.

AMSTERDAM, 22 AUG. Een eventuele strafvervolging van de Surinaamse oud-legerleider Desi Bouterse is géén politieke kwestie. Bouterse is een gewoon Surinaams burger, weliswaar leider van een politieke partij, maar geen staatshoofd. Het openbaar ministerie mag zich niet verschuilen achter de politiek. Dit standpunt verkondigden woordvoerders van de regeringspartijen VVD en D66, alsmede van het GPV, eind 1995 in het televisieprogramma Den Haag Vandaag.

Zij vonden dat politieke gevoeligheden in de verhouding met Suriname nooit de reden mogen zijn om te besluiten Bouterse maar niet te vervolgen. Dit is het officiële motto gebleven, ook nu een formeel arrestatiebevel tegen de voormalige legerleider is uitgegaan wegens betrokkenheid bij drugshandel. Ook al is hij inmiddels de politieke steunpilaar van een zittende regering die hem haastig heeft voorzien van een officiële status als adviseur van staat.

Den Haag houdt vol: het recht moet zijn loop hebben. Vervolgens vertrekt minister Van Mierlo (Buitenlandse zaken, en niet Justitie) naar Rio de Janeiro voor discreet overleg met de Surinaamse president Wijdenbosch, dat direct - door Bouterse - wordt uitgevent. En dan nu de onthulling dat Van Mierlo in juli een door justitie geplande arrestatie met het oog op van uitlevering van Bouterse in Brazilië heeft geblokkeerd.

Deze ontwikkelingen illustreren dat ondanks alle ferme taal het justitiële onderzoek tegen Bouterse nooit geheel valt te scheiden van politieke overwegingen. Het tegendeel zou ook haaks staan op de zeggenschap van de minister van Justitie over het openbaar ministerie die de huidige bewindsvrouw Sorgdrager nu juist met ongekende kracht verdedigt. Het CoPa-team van de Haagse politie, dat het onderzoek in de zaak-Bouterse sinds 1992 heeft verricht, kende een speciale groep die de politieke implicaties bewaakte, zo bleek tijdens de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Van directe druk om het onderzoek te stoppen, bleek niets. Maar de leider van het onderzoek had wel de indruk dat het vooral het ministerie van Buitenlandse zaken welkom zou zijn als het onderzoek op niets uitliep.

Juridisch gezien was het overigens ook geen eenvoudige zaak, ondanks het simpele directief van de vorige minister van Justitie Hirsch Ballin “als het boeven zijn, dan moeten de boeven worden gepakt”. Speurders van het CoPa-team vonden twee jaar geleden al dat ze voldoende bewijs hadden om Bouterse op te pakken, maar in datzelfde jaar werd in regeringskringen nog gesproken over slechts een “indicatief dossier”. Er moest een tweede mening van vooraanstaande magistraten aan te pas komen voordat het internationale arrestatiebevel daadwerkelijk kon uitgaan.

Dit bevel heeft zijn eigen complicaties. Er bestaat weliswaar een rechtshulpverdrag met Suriname, maar dat bevat een Surinaams voorbehoud over de overdracht van eigen onderdanen. Een direct uitleveringsverzoek in die richting heeft dus weinig zin. Met Brazilië bestaat helemaal geen specifiek uitleveringsverdrag. In Latijns-Amerika heeft Nederland alleen een stokoude uitleveringsverdragen met Mexico (1890) en met Argentinië (1893).

In het geval-Bouterse hoeft dat gebrek aan verdragen echter geen bezwaar te zijn. Een verzoek om aanhouding met het oog op uitlevering kan worden gegrond op het VN-verdrag tot bestrijding van de sluikhandel in narcotica en psychotrope stoffen (Wenen, 1988), dat vrijwel alle landen in Zuid-Amerika hebben getekend. Ook Brazilië.

Volgens een Duitstalig overzicht stelt het Braziliaanse recht bij uitlevering de eis van wederkerigheid. Nederland zou in voorkomende gevallen dus ook een Braziliaans verzoek in behandeling moeten nemen. Het Verdrag van Wenen vormt daarvoor naar Nederlands recht voldoende grond. Een uitleveringsprocedure volgens dit verdrag dient altijd naar de regels van de aangezochte staat te worden afgewikkeld. Volgens het Duitse overzicht eist Brazilië wel een duidelijke omschrijving van de strafbare feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, maar gaat het niet zover te vergen dat de verzoekende staat ook bewijzen op tafel legt.

Bouterse heeft goede relaties in Brazilië, waar hij in zijn tijd als bevelhebber van het Surinaamse leger graag wapenaankopen deed. De mogelijkheid van protectie valt dus niet uit te sluiten. De Nederlandse justitie kan dan wel contact hebben gehad met haar Braziliaanse evenknie over arrestatie, het blijft een omslachtige weg. Binnen de Benelux kunnen de justitiële autoriteiten zaken doen van parket tot parket, binnen de Europese Unie bestaan directe lijnen tussen de ministers van Justitie, maar met de landen in Latijns-Amerika moet elk rechtshulpverzoek via de diplomatieke kanalen worden gedaan. De minister van Buitenlandse zaken laat de Nederlandse ambassadeur het verzoek om aanhouding en uitlevering doen aan de Braziliaanse autoriteiten. Dat verklaart de tussenkomst van minister Van Mierlo.

“Uitleveringsverzoeken hebben altijd een marge van onzekerheid”, zegt een deskundige. Wat betreft de handel in verdovende middelen bevat het Verdrag van Wenen in elk geval een interessant drukmiddel, het beginsel 'aut dedere, aut punire': als de Braziliaanse autoriteiten een uitleveringsverzoek voor Bouterse onverhoopt zouden hebben afgewezen - hetgeen minister Van Mierlo kennelijk vreesde - dan zou Brazilië de zaak-Bouterse aan de eigen rechter moeten voorleggen.