Touwtrekken om een koninklijke diamant

De Koh-i-Noor, 'parel' in de Britse Kroon, moet terug naar India, vindt de premier van Punjab. De afstammelinge van een Britse onderkoning wil daar niet van weten. De lotgevallen van een edelsteen.

NEW DELHI, 22 AUG. Koningin Elizabeth van Engeland zelf mag deze herfst niet bijster welkom zijn in de Indiase stad Amritsar, de meest vermaarde van alle Britse kroonjuwelen, de uit India afkomstige Koh-i-Noor, is dat wel. Premier Prakash Singh Badal van de Punjab, de noordwestelijke deelstaat waartoe Amritsar behoort, verklaarde begin deze week nadrukkelijk dat het tijd wordt dat de Britten de Koh-i-Noor na bijna anderhalve eeuw terugzenden naar India. Daar zou die dan in een museum tentoongesteld kunnen worden.

Deze suggestie werd in Engeland onmiddellijk resoluut van de hand gewezen door Teresa Wickam (50), een verre nazaat van John Lawrence, een functionaris die de vermaarde diamant in 1849 achteloos in zijn vestzak zou hebben gestoken in de veronderstelling dat het om een stuk geslepen glas ging. Hij vergat het en pas zes weken later kwam de steen weer te voorschijn, waarna hij in handen van koningin Victoria belandde. Later bracht Lawrence het nog tot onderkoning van India.

Het is echter de vraag of Wickam niet voor haar beurt heeft gesproken. Volgens het gezaghebbende Hanklyn-Janklin handboek voor India verwerpen de meeste historici het vestzakverhaal als een legende. Volgens hen kwam de Koh-i-Noor (letterlijk Berg van Licht) in 1849 in handen van de Britten, toen die zich meester maakten van de Punjab. Daarop werd de diamant volgens hen door een zekere dr. Login overgedragen aan de toenmalige gouverneur-generaal, Lord Dalhousie, die hem hoogstpersoonlijk naar de havenstad Bombay bracht, vanwaar het juweel per marineschip naar Londen reisde.

De diamant had toen al een bewogen geschiedenis achter de rug. De steen, die volgens de overlevering oorspronkelijk liefst 700 karaat woog, zou afkomstig zijn uit een mijn bij de zuidelijke stad Hyderabad. In de vijftiende eeuw zou hij zijn weg hebben gevonden naar de toenmalige sultan van Delhi. Toen de roemruchte moghul-keizers een eeuw later Delhi bereikten, ging de Koh-i-Noor in hun handen over. Nadat ook hun rijk in de loop van de achttiende eeuw in verval was geraakt, roofden de Perzen de nog altijd fel begeerde diamant in 1739 uit Delhi. Zij raakten hem op hun beurt echter weer kwijt aan een zegevierende Afghaanse koning. Daarna was het de beurt aan maharadja Ranjit Singh, de grote eenogige leider van de sikhs in de Punjab.

Diens opvolger Dalip Singh werd afgezet door de Britten, en zo kon koningin Victoria tijdens de grote Wereldtentoonstelling van 1851 in Londen goede sier maken met een kroon met daarin haar nieuwste aanwinst. Tegen die tijd was de Koh-i-Noor overigens al vele malen bijgeslepen en bleven er nog maar 186 karaat over. Na nog een nieuwe behandeling verminderde dat tot 106 karaat.

Niet bekend