Terughoudend met iets te weinig adem

Jan Baeke: Nooit zonder de paarden. De Bezige Bij, 44 blz. ƒ 32,50

Er staan intrigerende teksten in de debuutbundel van Jan Baeke. De wereld die hij beschrijft is de onze, maar van een vervreemdende afstand bezien. En om het nog vreemder te maken is een opmerkelijke plaats toebedeeld aan de paarden. In het wereldbeeld van Baeke zijn ze alomtegenwoordig: als voorboden van onze ondergang, maar ook 'als een muur om tegen te leunen / als een huid om ons achter te verschuilen'. En ze geven aanleiding tot fraaie openingsregels, zoals in het titelgedicht 'Nooit zonder de paarden':

Er zijn redenen de paarden te vrezen.

Ze zijn niet in staat

een vuur te maken

of een venster te openen

maar ze hebben een geheugen als een paard.

Een wezenlijke rol krijgen die paarden echter niet - zo min als veel andere figuranten in de poëzie van Baeke. Ze intrigeren wel, maar zijn te veel van buitenaf beschreven om te kunnen boeien. Dat geldt zelfs voor de gedichten waarin sprake is van 'ik' en 'wij'; het komt niet tot betrokkenheid. Er gebeurt ook te weinig in Nooit zonder de paarden. Een hoogst enkele strofe verrast, maar er zijn geen apotheoses, en maar weinig daverende slotregels.

'Ze demonteren de kreupele uren / met de nauwgezetheid van een klokkenmaker,' stelt het gedicht 'Ooggetuigen'. Dat lijkt een fraaie typering voor wat Baeke zelf in zijn verzen doet. Hij biedt slechts onderdelen. De lezer krijgt geen totaalblik, maar moet van het ene fragment naar het andere zappen. Dat geeft het effect van een kaleidoscoop, en dat is een eindig vermaak.

Op de taal van Baeke's gedichten is weinig af te dingen, al zet ik vraagtekens bij regels als 'Je zet je polsslag op een kier'. Zo'n formulering schiet in zijn troebelheid het beeld voorbij. Maar dit soort missers komt weinig voor. Doorgaans is het taalgebruik op een wat droge manier terughoudend, zoals in 'Evenwicht':

Het meesterschap van de jongleur

blijkt niet uit zijn gebaren.

Hij staat op een herfstperron

en leunt tegen de warme geur

van proviand en koffie.

De treinen net ontwaakt. Forensen

uit het handboek van de ochtend nagemaakt.

Ze hebben van de zwaartekracht geen weet:

de ochtend zonder te vertrekken

de ingeslapen arm van een jongleur

die niet beweegt.

De kracht van een jongleur blijkt uit de plotseling opduikende wolken het zingen dat de trein verlaat in een monter, draagbaar meisje. Hij richt zich op en fluit haar aan. Ze komt meteen, nu ze bestaat.

Voor mij is dit het beste gedicht uit de bundel. Misschien ook omdat het dankzij het eindrijm een beetje zingt. Dat brengt de poëzie weer bij wat Gerrit Komrij in juni in deze krant omschreef als 'haar natuurlijke ouders, Adem en Muziek'. Want dat is waaraan ze haar bestaan ontleent, hoeveel recente dichtbundels dat ook willen ontkennen.

Aan onderwerpen heeft Jan Baeke geen gebrek. Dat hij ook thuis is in de dichterlijke traditie suggereert zijn 'Verantwoording' met verwijzingen naar Gilbert Sorrentino, Jan Engelman en Dante Alighieri. Maar waar is Jan Baeke zelf? Meer eigen adem zou zijn poëzie tot leven brengen.