Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954); Bruisend en vrijgevochten

Claude Francis, Fernande Gontier: Colette. Uitg. Perrin. 439 blz. ƒ 57,-

Régine Détambel: Colette, Comme une flore, Comme un Zoo. Uitg. Stock. 325 blz. ƒ 53,30

Op 3 januari 1907 beleeft de Moulin-Rouge in Parijs de première van Rève d'Egypte, een pantomime voor twee acteurs, over een professor die een drankje heeft uitgevonden om een Egyptische mummie tot leven te wekken. Er zitten veertig musici in de orkestbak en de zaal is uitverkocht. Als de mummie, Colette Willy, uit haar sarcofaag stapt en vervolgens de professor, de markiezin de Morny, omhelst, ontstaat er groot tumult in het publiek en worden de actrices bekogeld met sinaasappelen, tenen knoflook, luciferdoosjes en wandelstokken. Willy, die wettelijk nog de echtgenoot van Colette is en zich met zijn nieuwe, veel jongere vriendin, ook in de zaal bevindt, wordt in spreekkoren uitgemaakt voor 'cocu' (bedrogen echtgenoot). De hoofdrolspeelsters verdwijnen door de achterdeur, Willy vecht zich een weg naar het kantoor van de directeur en de politie ontruimt de zaal. De prefect van Parijs beveelt de Moulin-Rouge het stuk van de planken te halen op straffe van sluiting van het theater.

Deze gebeurtenis is exemplarisch voor het leven van Colette in die vrolijke jaren van het Belle Epoque, zoals valt op te maken uit de onlangs verschenen biografie van Claude Francis en Pernande Gontier. Dankzij haar echtgenoot, Henry Gauthiers Villars, de destijds zeer bekende journalist Willy, met wie zij in 1893 was getrouwd, behoorde Colette tot de Parijse artistieke en intellectuele elite die een bruisend uitgaansleven leidde in de euforische jaren voor de Eerste Wereldoorlog. In 1907 was Colette 34 jaar en haar huwelijk zou in datzelfde jaar worden ontbonden. Samen hadden zij de succesvolle romanserie over Claudine geschreven, waarvan zij elkaar het auteursrecht nog zo lang zouden betwisten. Willy had de uit de provincie afkomstige Colette toegang verschaft tot de Parijse beau monde en zij had een salon bestierd waar alle grote talenten uit die tijd hun opwachting maakten; Gabriel Pauré en Claude Debussy, Marcel Proust, Anatole France, André Gide en Valéry, Toulouse-Lautrec, Nadar en vele journalisten van naam. In deze periode was Colette ook begonnen aan haar journalistieke loopbaan. Zij schreef toneel- en concertkritieken voor verschillende kranten.

Knellende maillot

De deuren van de salons worden echter voor haar gesloten als zij besluit de vele minnaressen van Willy niet langer voor lief te nemen. Ze wordt danseres en mimespeelster in de populaire music-halls in Parijs en maakt succesvolle tournees door het hele land. Colette krijgt het imago van losbandige, taboedoorbrekende,lesbische vrouw die het ene na het andere schandaal veroorzaakt. In 1908 schrijft Colette in La Vie Parisienne: 'Ik wil doen wat ik wil. Ik wil mime of toneel spelen. Ik wil naakt dansen als mijn maillot knelt. Ik wil me terugtrekken op een eiland als ik daar zin in heb of omgaan met dames die leven van hun charmes, als ze maar vrolijk zijn. Ik wil trieste en kuise boeken schrijven, met alleen maar landschappen, bloemen, verdriet, trots en onschuldige dieren...'

Het zijn niet zozeer de boeken van Colette die Francis en Gontier tot het onderwerp van hun biografie maakten, al slaan zij wel voortdurend een brug tussen leven en werk. Een volledige chronologische, bibliografie van haar werk ontbreekt in hun biografie. Die is wel te vinden in Colette, Comme un Flore,Comme un Zoo van Régine Détambel, zelf ook schrijfster, die louter en alleen aandacht besteedt aan Colette's literaire werk. In haar boek ontdekken we, tussen de regels door, een beeld van de Colette van voor haar Parijse periode, de Colette die geboren werd in het landelijke St. Sauveur-en-Puisaye en daar een levenslange hartstocht ontwikkelde voor de wereld van plant en dier.

De verdienste van Francis en Gontier is vooral dat zij minutieus, soms zelfs van maand tot maand, Colettes leven in kaart brengen. Zo begrijpen we bijvoorbeeld dat Colettes imago van rebelse vrouw vooral te danken was aan haar talent voor public relations. Ze was een meester in het bespelen van de publieke opinie en wist te regelen dat Willy, ook na ontbinding van hun huwelijk, onder diverse pseudoniemen lovend schreef over de carrière van zijn ex-vrouw. Zij op haar beurt speelde in stukken die door Willy waren geschreven,waardoor het mes aan twee kanten sneed. Bovendien voerden Colette en Willy jarenlang een felle, maar gefingeerde oorlog in kranten en dagbladen over allerlei persoonlijke zaken, louter met het doel een hogere verkoop van hun romans te bereiken. Ook de rel rondom Rêve d'Egypte was zorgvuldig geënsceneerd: Willy had, anoniem, de adellijke familie de Morny een uitnodiging gestuurd en die was, uit protest tegen de zo provocerend getoonde lesbische liefde, met een hele aristocratische vriendenschaar de orde komen verstoren. Pas toen Willy in een nieuwe roman personages opvoerde waarin iedereen Colette en haar minnaars herkende, kwam er een einde aan de samenwerking tussen de ex-echtgenoten en begon een periode waarin zij hun romans gebruikten om elkaar te kwetsen. Iets waar zo mogelijk nog meer publieke belangstelling voor was.

Vele jaren later, op tweeënzestigjarige leeftijd, rekende Colette definitief af met haar eerste echtgenoot. In Mes apprentissages schetste zij het beeld van een oude, doortrapte bullebak die een jong, onschuldig meisje uit de provincie huwt om haar vervolgens, achter slot en grendel, te dwingen romans te schrijven die hij daarna van zijn naam voorziet. Het boek werd, zoals veel van Colette's romans, als een autobiografie gelezen. Dat de waarheid anders was, blijkt duidelijk uit de biografie van Francis en Gontier. In latere radio-interviews bevestigde Colette: 'Bevolen heeft hij mij niets'.

Stiefzoon

In 1912 trouwde Colette met Henry de Jouvenel, directeur van het dagblad Le Matin, waarvoor Colette feuilletons schreef. Tijdens de oorlog bezocht Colette haar echtgenoot, vaandeldrager bij de 125ste divisie, en werd en passant de eerste vrouwelijke Franse oorlogscorrespondent. Haar persoonlijke, dagboekachtige stijl sprak veel lezers aan. Na de oorlog begon de Jouvenel aan een briljante politieke carrière en werd minister. Colette zorgde ervoor dat haar imago werd geschoond. Ze was uitsluitend nog femme de lettres en conférencière, werkte aan haar literaire oeuvre en waakte nauwlettend over brieven en foto's die zij voor het nageslacht geschikt achtte. Toen de Jouvenel ontdekte dat zij al ruim vijf jaar een relatie had met zijn twintigjarige zoon, liep het huwelijk op de klippen.

Dat Colette niets immoreels zag in de een incestueuze liefde tussen haar en haar stiefzoon, maken de biografen aannemelijk door uitgebreid aandacht te besteden aan haar vrije, fouriéristische opvoeding. Haar moeder, Sido, was een aanhanger van de filosofie van Charles Fourier, volgens wie hartstochten de wereld regeerden en die seksuele vrijheid als het hoogste goed beschouwde. Toen Colette al op jonge leeftijd een voorkeur voor vrouwen bleek te hebben, nam haar moeder daar dan ook geen enkele aanstoot aan. Dankzij Fourier hield Colette ook erg van lekker eten. Violet Trefusis schreef dat haar vriendin een afschuw had van vrouwen wiens conversatie net zo mager was als hun dieet. In een tijd waarin het vulgair werd geacht over eten te spreken, schoffeerde Colette veel tafelgenoten door, volgens de 'gastrosofie' van Fourier, en plein public minutieus de ingrediënten van gerechten te analyseren.

Respectabiliteit

De laatste drie decennia van haar leven bracht Colette, wat bedaarder, door aan de zijde van de zeventien jaar jongere diamanthandelaar Maurice Goudeket. Zij eindigde, in de woorden van Jean Cocteau, 'haar leven van pantomime en van oude lesbienne in een apotheose van respectabiliteit.' Colette schreef in die periode een twintigtal boeken, publiceerde onnoemelijk veel artikelen in tientallen kranten en tijdschriften, werkte aan filmscenario's, presenteerde programma's op de radio en kreeg alle belangrijke literaire prijzen. In 1949 werd zij zelfs voorzitter van de Académie Goncourt, een mannelijk bastion bij uitstek.

Het knappe van de biografie van Francis en Gontier is de evenwichtige wijze waarop zij Colette's leven hebben beschreven. Iedere periode is, aan de hand van de Oeuvres complètes (bijeengebracht door Goudeket) en van vele briefwisselingen en andere tijdsdocumenten, met evenveel aandacht onderzocht. Het zwakke punt van deze biografie is de overmaat aan niet werkelijk ter zake doende details. Voegt het iets toe aan het beeld van Colette als we weten dat André Gide zo verliefd was op Oscar Wilde dat hij tijdens een diner geen hap door zijn keel kon krijgen? Of dat Rachilde, de vrouw van de directeur van het dagblad Mercure-de-France haar gasten ontving met twee witte muizen op haar schouder?

Op twee belangrijker punten laat de biografie steken vallen. Het eerste punt betreft haar relatie met haar dochter. Kort na haar huwelijk met Henry de Jouvenel beviel Colette, in juli 1913, van een dochter die zij Colette Renée noemde. Zij vertrouwde haar toe aan een nurse en komt haar pas twee jaar later weer opzoeken. Verder komt Bel-Gazou, zoals haar alter ego in de romans van haar moeder genoemd wordt, nauwelijks aan de orde. Zij wordt insupportable genoemd en een moeilijke puber. Ook zou Maurice Goudeket zich zorgen hebben gemaakt over de slechte relatie tussen moeder en dochter. Hoe die relatie zo slecht geworden was en waarom Colette zich zo weinig voor haar dochter interesseerde lezen we niet in deze biografie.

Ook Colette's houding tot het feminisme roept vraagtekens op. In 1913 trekt Colette, in een reportage over de presidentsverkiezingen, iedere politieke bekwaamheid van vrouwen, in twijfel: 'Wat doen al die vrouwen toch. Bleven ze maar stilletjes thuis, charmant, vrouwelijk en onmondig!' Ook in andere artikelen ridiculiseert zij vrouwen die colleges volgen aan de universiteit of voor vrouwenstemrecht strijden. Zij weigert haar medewerking aan het tijdschrift La Fronde, dat het voortouw neemt tot wijziging van de grondwet op het gebied van prostitutie, moederschap en stemrecht. Hoe komt het dat de vrouw die erin slaagde een belangrijke en gewaardeerde plaats te veroveren in vele mannelijke bolwerken, zo neerbuigend over haar seksegenoten schreef? Heeft Colette's houding zich in de loop der jaren gewijzigd? Daarop geeft deze biografie geen antwoord.

Colette, Comme une Flore, Comme un Zoo van Régine Détambel is een prachtige aanvulling op de biografie van Francis en Gontier, met een originele invalshoek. Détambel heeft in de loop der jaren het hele oeuvre van Colette gelezen en daarbij een overzicht gemaakt van alle beschrijvingen waarin beelden van planten of van dieren voorkomen. Het viel haar op dat de schilder Arcimboldo en Colette eenzelfde werkwijze hebben: 'Zoals Giuseppe Arcimboldo het oog van het Voorjaar schilderde met irissen en kersen, en de figuur van het Najaar met noten en een mispel, en de andere Seizoenen met graan, riet, kastanjes en bramen, zo schilderde Colette haar personages Claudine, Annie, Renaud en Bel-Gazou.' Beiden gebruiken, bij hun beschrijvingen van mensen, metaforen afkomstig uit de botanica en de zoölogie en op ongeveer dezelfde manier, ontdekte Détambel.

Levensvreugde

Ze deelde haar boek in tweeën. De eerste helft Comme une Flore bevat alle citaten die betrekking hebben op het plantenrijk, van Abricot tot Violettes. In de tweede helft, Comme un Zoo, zijn alle beelden afkomstig uit de fauna gerangschikt, van Abeille tot Taureau. In haar inleiding suggereert Détambel de lezer het boek door te bladeren zoals je een postzegelverzameling of een herbarium bekijkt.

Wie dat doet, raakt niet alleen onder de indruk van de nauwgezetheid waarmee Détambel zich van haar taak heeft gekweten, maar ook van de enorme rijkdom en variatie aan beelden die er in Colette's werk te vinden zijn. Een willekeurige greep leidt tot de volgende opsomming: een avondjurk lijkt op een struisvogel na de rui, snorren hebben de kleur van bevers, een onsympathieke man heeft de houding van een haan, de haren van een meisje zijn zo blond als rogge, gedachten lijken op de baard van Hendrik VIII, een caissière heeft het verfrommelde, bangige kopje van een oude hagedis, een roos heeft lippen, een borst en een navel en de blaadjes van de verregende mimosa hangen naar beneden als vastgeplakte veren. Katten worden onderverdeeld in categorieën: warm, berouwvol, in de war, flauwgevallen, grijs, nerveus, denkend, perplex of minutieus. Een voorbeeld van de laatste: 'De oude Perzische Kat wast zich minutieus, precies zoals oude mensen dat doen'. (citaat uit Douze dialoguesde bêtes)

In de citaten maak je niet alleen kennis met al de hoofdpersonen uit het werk van Colette, je leert tegelijkertijd, tussen de regels door, ook de schrijfster zelf kennen: haar energie, haar ambitie, haar gedrevenheid, haar fantasieën, haar verdriet en haar levensvreugde.

In de biografie van Francis en Gontier lazen we dat Colette een vrijgevochten vrouw was, een naaktdanseres, een lesbienne, een musicienne, een boeiend spreekster, een slechte moeder, een gelauwerd schrijfster en een goed journalist en criticus. Bij Détambel ontdekken we in Colette de gedreven dierenvriendin, de amateur-botanica, de nauwgezette waarneemster en de liefhebster van het buitenleven. Beide boeken leg je enigszins duizelig weer neer. Alles aan Colette was mateloos en grenzeloos.