Rollenspel

Ik zit te werken in een café. Zonder op te kijken hoor ik dat aan het tafeltje naast mij mensen komen zitten. Als ze maar niet zo hard spreken dat ik word afgeleid. Vergeefse hoop. Ik bèn al afgeleid: één van hen is dwingend en onophoudelijk aan het woord.

Het is de stem van een man. Geen luide stem, ik kan de woorden niet verstaan, maar de toon eist alle aandacht op. Een doodenkele keer wordt hij onderbroken door de stem van een vrouw. Dan wacht hij even, alsof hij gepikeerd is en lijkt vervolgens gewoon door te gaan waar hij gebleven was. Zonder zijn stem te verheffen gaat hij hoe langer hoe sneller spreken. Hij maakt geen pauzes tussen zijn zinnen. Deze kerel ís niet te onderbreken. Ik word kwaad en kijk op.

Ze zijn met zijn tweeën, allebei begin twintig. Hij is groot en heeft een grof gezicht met een harde uitdrukking in zijn ogen. Zelfverzekerd leunt hij achterover in zijn stoel. Ik kijk tegen de rug van het meisje aan. Over de tafel heen zit ze naar hem toegebogen. Ze houdt de blik op het blad gericht, als wilde ze zich bij het luisteren naar zijn woorden niet door zijn uiterlijk laten afleiden. De jongen is zo zeker van zijn gehoor dat hij af en toe zelfs met zijn ogen dicht praat.

Ik word nog kwader. Weer zo'n macho met brede schouders. En kijk die meid eens? Eén en al oor. Dit is toch geen gesprek? Dit is een monoloog. Hoe zacht ook uitgesproken, klinkt het alsof hij haar bombardeert met woorden. Waarom geeft zij hem zoveel ruimte?

Omdat ik bang ben dat hij mijn gegluur in de gaten krijgt, buig ik mij weer over mijn werk. Nog sneller gaat hij spreken. De toon klinkt nu wanhopig agressief.

Ineens is het stil. Met innemende stem hoor ik hem rustig en goed verstaanbaar vragen: “Zal ik het zó doen?” Ik kijk weer op. Hij is nauwelijks te herkennen. Alle grofheid is uit zijn gezicht verdwenen. Hij ziet er kwetsbaar uit.

Het meisje knikt. Ze leunt achterover. Vóór haar op tafel ligt een stapel door nietjes bijeengehouden bedrukt papier, waarvan ze het laatste vel dichtslaat. Ze schuift de stapel naar de jongen toe die de papieren in zijn tas stopt. Als ze weglopen kijk ik naar zijn schouders. Ze zijn smal.

    • Monica Metz