Roland Topor had het recht op luidheid

Tentoonstelling: Hommage aan Roland Topor. T/m 14 sept. in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Geopend: dagelijks 10-18u.

Na de coïtus is het geschater van de duivel te horen, luidt een oude wijsgerige spreuk, maar in het oeuvre van de kortgeleden overleden Franse tekenaar en schrijver Roland Topor is dat geschater ook al daarvoor te horen. Het klinkt de hele tijd. En wie er lacht, de duivel of Topor, is zelfs na bezichtiging van een heel kleine keuze uit zijn affiches, tekeningen en boekomslagen, die het Stedelijk Museum als herdenkingstentoonstellinkje aan hem heeft ingericht, al niet meer duidelijk.

Een meester van de zwarte humor wordt de in 1938 in Parijs geboren zoon van Poolse emigranten wel genoemd. In de jaren zestig werd hij bekend door zijn macabere cartoons en illustraties. Maar zwarte humor is een veel te eenduidige kwalificatie voor het grillige oeuvre van Topor.

Soms zijn ze lachwekkend broeierig, zijn tekeningen, zoals op het affiche waarop we twee dikkige ontklede mannetjes zien, die opgewonden op hun knieën rond een zich uitkledende jongedame kruipen, terwijl ze hun dikke, rode neuzen opdringerig nieuwsgierig in de hoogte houden. Er is ook een prachtig zelfportret, waarbij de eikel van een penis die door een dame wordt afgetrokken is veranderd in zijn hoofdje: hij kijkt net over haar vingers heen, tongetje uit de mond.

Soms zijn zijn tekeningen bitter en absurd, zoals het bekende affiche dat hij in 1977 voor Amnesty International maakte. Er is een naar achter gebogen hoofd op te zien, waarbij een hamer de kin naar beneden tikt, zodat de onderkaak verandert in een wig die zich in 's mans keel boort. Melancholisch is de pentekening van een man die een andere man uit de grond land probeert te trekken: dat gaat moeilijk, want zijn voeten hebben boomwortels gekregen en hij heeft letterlijk wortel geschoten. Geestig en opzettelijk sloom is het affiche dat hij in 1988 maakte voor de herdenking van de verklaring van de rechten van de mens. Le droit à la paresse, het recht op luidheid, heet het, waarop we de tekenaar zien die in slaap is gevallen, bij een omgevallen potje inkt. Als er iemand recht op luidheid had, was Topor het wel, want hoewel hij van uitslapen hield, zoals hij zei in het fragment uit de tv-documentaire dat Arnon Grunberg onlangs in het tv-programma Zomergasten liet zien, heeft Topor als een bezetene gewerkt. Films, romans, toneelstukken en tekeningen, een eindeloze stroom tekeningen heeft hij gemaakt, in kleur, in zwart-wit, maar altijd met sterke beelden, zoals in het Stedelijk te zien is.

Een wand van het tentoonstellingszaaltje is volledig in beslag genomen door boeken en tijdschriften die Topor heeft gemaakt. Ze zijn achter plexiglas gezet, wat begrijpelijk is, maar jammer, want vrijwel ieder drukwerk noodt tot bladeren.

Je hunkert naar meer Topor in druk, om er in te bladeren en je te verwonderen en te genieten. (Overigens zijn er in Nederland nu geen boeken van Topor in de boekhandel verkrijgbaar.) Zo is er een boekje met de titel Le jeu des seins (faites des paires), Het borstenspel (stel paren samen), dat ik graag doorgebladerd had. De meeste Topor-publicaties zijn begrijpelijkerwijs in het Frans, maar er is ook een nummer van het beruchte Nederlandse blad uit de jaren zestig God, Nederland & Oranje met een omslag van Topor: een gezicht dat een slag van zo'n grote vuist krijgt, dat ogen, neus en mond geheel uit zicht verdwijnen. Hoewel het Stedelijk trots meldt dat Topors eerste grote museale expositie ooit, in 1975, in het Stedelijk plaats had, kennen wij zo'n traditie van dergelijke speelse, broeierige en zwartgallige tekenaars amper.

De enige die we hadden, Bernhard Holtrop, alias Willem, woont en werkt al sinds mensenheugenis in Parijs, en was ook bevriend met Topor. Dat er in Nederland toch nog zo'n hommage gemaakt kan worden, komt onder meer doordat verzamelaars als oud-Stedelijk-Museum-conservator Ad Petersen Topor bewonderden en volgden. Zodoende biedt deze herdenking toch een overzicht van zijn werk tot 1997, dus tot zijn dood. Het lijkt of Topor naarmate hij ouder werd meer melancholische tekeningen over de jeugd en het kind in hem ging maken. Zo is er een grote tekening uit 1993 waarop we uitgespaard tegen een zwarte achtergrond het silhouet van een man in regenjas met hoed op zien. In die man staat een triest jongetje, gevangen in het volwassen silhouet. En er is een aquarelletje uit 1996 waarop we een kalende man in pyjama zien die een speelgoedautootje laat rijden over de bilpartij van een dame die naakt naast hem ligt.

Midden in het expositiezaaltje staat een beeldje dat Topor maakte in 1996, de trofee bij de Premio Pasolini, eigendom van Hugo Claus. Een vrije geest stelt het voor - zoals Topor er een was, en een die ook pijn kent. Want midden in de gevleugelde hersenen, steekt een arm-met-hand die uit het niets komt een scherp mes.