Reinbert de Leeuw en het Festival voor hedendaagse muziek in Tanglewood; Cd's mogen ze gewoon afschaffen

Componist Rob Zuidam was in Massachusetts te gast op het 'Tanglewood Contemporary Music Festival'. Hij ontmoette er festival-aanvoerder Reinbert de Leeuw en genoot van diens concerten met het Boston Symphony Orchestra. “Wie in Tanglewood studeert, ziet zijn halve platenkast tussen de reusachtige sparrenbomen voorbijwandelen.”

Het is even na achten, een stralende zondagochtend dient zich aan. Een immer feller wordend strijklicht tast de glooiende hellingen van de Berkshires af. Het ontdoet ze van de sluierende ochtendnevel en onthult één voor één hun plaats in het idyllische panorama. We zitten in de tuin en drinken koffie. De Housatonic at Stockbridge, van de Amerikaanse componist Charles Ives (1874-1954), doet een kolkende, woeste stoom vermoeden. In werkelijkheid echter meandert deze rivier gezapig aan de voet van de schuin aflopende tuin voorbij, langs het witte houten kerkje dat het centrum van Stockbridge markeert, om vervolgens in de verte tussen de lommerrijke heuvels uit het zicht te verdwijnen. Het schouwspel kan Reinbert de Leeuw, voor het vierde seizoen artistiek leider van het Tanglewood Contemporary Music Festival, weinig boeien. Hij heeft een vrijwel slapeloze nacht achter de rug en is krachten aan het verzamelen voor een lange, zware dag. Twee concerten, met daartussendoor nog een repetitie, liggen voor hem in het verschiet. Hij oogt vermoeid en blikt gespannen om zich heen. Van de berichten op de voorpagina van de New York Times, naar een paar partituren die voor hem op tafel liggen en weer terug, zonder acht te slaan op zijn handen, die routinematig een zwaar sjekkie rollen. Pas later op de ochtend, als de eerste maten van Olivier Messiaen's Et expecto resurrectionem mortuorum klinken, is de vermoeidheid op slag verdwenen. De in de muziek beoogde ervaring van wederopstanding, lijkt in de eerste plaats zijn weerslag te hebben op haar dirigent. De Leeuws benige gestalte is nu uiterst energiek en geconcentreerd. Met gracieuze, afgemeten gebaren anticipeert hij alert op minieme veranderingen in het muzikale weefsel. “Dirigeren is niet zozeer een kwestie van de maat slaan, maar van je een klankvoorstelling weten te maken van een stuk en dat vervolgens over te kunnen brengen op de muzikanten. Ik moet in de muziek geloven, erin op kunnen gaan. Als ik er niet echt iets mee heb, dan kan het alleen maar uitlopen op een ramp. De spanning, de nervositeit vantevoren, heb ik nodig om me op te laden. Als ik er eenmaal sta, valt dat vanzelf van me af. Vaak moet ik, vlak voor ik op moet, ineens vreselijk nodig. Maar ja, daar is dan geen tijd meer voor. Als ik dan, na afloop van het concert, na het derde pilsje eens een keer voel dat ik naar het toilet moet, schiet het me pas weer te binnen, die rare toestand.”

Tanglewood is het geesteskind van Sergei Koussevitzky, de dirigent van het Boston Symphony Orchestra van 1924 tot '49. Halverwege de jaren dertig schafte hij zich de villa Seranak aan als zomerverblijf gelegen op het hoogste punt in de omgeving, uitkijkend over het majestueuze Mahkeenac-meer. Puissant rijke vrienden nodigden hem uit om met de BSO zomerconcerten te geven in de Berkshires. Als tegenprestatie schonken ze hem het nabij Seranak gelegen landgoed Tanglewood. Nadat het concert een keer was weggeregend, werd besloten tot het maken van een beschuttende houten overkapping. Tot op vandaag is de Koussevitzky Shed, ruimte biedend aan zo'n 5000 mensen, de plaats van handeling van de zomerconcerten van de BSO. De omringende gazons worden in nog grotere getale door muziekliefhebbers bevolkt, vaak vergezeld van ligstoel en picknickmand. Elders op het terrein verrezen kleinere podia voor kamermuziekconcerten, repetities en lezingen. In '94 werd de Seiji Ozawa Hall geopend, het toneel van het Contemporary Music Festival, welke plaats biedt aan ongeveer duizend toehoorders. Ook Seranak is nog altijd onderdeel van het Tanglewood-complex. In de hall staan talloze relikwieën uitgestald: een gipsafdruk van de hand van maestro Koussevitzky, het doodsmasker van componist Alban Berg en foto's van Tanglewoods eerste jaargang in 1940, met een piepjonge Leonard Bernstein en Lukas Foss. De Berkshires liggen naar Amerikaanse begrippen op een steenworp afstand, ruim twee uur met de auto, van New York en Boston. Wie kans zoekt om de hitte en de drukte van de stad te ontvluchten heeft hier in de schaduwrijke bossen een tweede huis. De oostkust van de Verenigde Staten is relatief een dichtbevolkt gebied. Maar wie de stad eenmaal achter zich heeft gelaten, valt onmiddellijk de overvloedige ruimte op en het uitbundige natuurschoon, die naar Westeuropese maatstaven luxueus aandoen.

Dolce, dolce

Het ochtendconcert heeft Reinbert de Leeuw zichtbaar opgekikkerd. Ontspannen loopt hij rond in een t-shirtje en praat wat met bekenden. Het heeft hem voldoende energie opgeleverd voor de vier uur durende middagrepetitie. Met dezelfde, niet aflatende precisie en toewijding schaaft hij aan de contouren van de muziek. “Dolce, dolce... not too loud”.

Terwijl hij met zijn rechterhand tot aan het einde van een sectie de maat blijft slaan, bladert hij met zijn linker alweer terug in de partituur. In de korte pauzes, tussen de stukken door, praten we in de dirigentenkamer: “Wat ik met dit festivalprogramma wil laten zien, is dat eigentijdse muziek een heel breed gebied beslaat. Het is een divers geheel. Er is niet langer sprake van een mainstream-avantgarde, een gemeenschappelijke taal die zegt: zo moet het. Vandaar de geweldige contrasten die er in de programma's zitten; vroege Zappa staat naast late Sjostakovitsj. Je kunt je afvragen wat eigentijds inhoudt. Is Andrew Lloyd Webber eigentijds? Die schrijft toch ook nu. Eigentijds betekent voor mij: iets dat ik nog niet kende, wat nieuw is voor mijn oren. Ik ben geïnteresseerd in oorspronkelijkheid, in mensen die met minimale middelen het maximale willen bereiken. Zoals György Kurtág de open snaren van een gitaar als het ware herontdekt en daar een heel stuk op baseert. Muziek is nooit twee keer hetzelfde, het leeft. Het is altijd een momentopname. Je kunt een foto van dit landschap nemen. Er zal in de werkelijkheid altijd iets aan blijven veranderen, maar op die foto niet. Je kunt toch niet eindeloos naar een foto blijven kijken? Soms, heel soms, hoor ik weleens een opname van mezelf, waarvan ik denk: hmm, dat is best wel goed. Maar eigenlijk heb ik er iets op tegen. Wat mij betreft mogen cd's gewoon afgeschaft worden.

“Mijn fascinatie voor muziek is ontstaan in mijn vroege jeugd. Maar dan praten we over de oorlogsjaren en als mensen eenmaal over de oorlog beginnen, dan weet je wel hoe laat het is. Ik kom niet uit een muzikale familie, pianospelen was gewoon een onderdeel van de opvoeding. Ik was er meteen gek op, het was nooit het verplichte halfuurtje studeren. Ik vond alles zelf uit. Althans, ik veronderstelde dat ik de eerste was die een grote drieklank op de piano speelde en schreef alles op. Chopin werd mijn held, die deed ik na. Op de lagere school speelde ik mijn eigen Treurmars in b-klein. Ik dacht serieus dat wat ik schreef, minstens zo goed was. Mijn ouders waren beiden psychiater. Ze hadden abonnementen op concertseries, maar nooit de tijd om erheen te gaan, dus ging ik.”

Neo-romantiek

De Leeuw is de laatse decennia uitsluitend actief als dirigent en pianist. Zijn laatste compositie, Abschied (1973) voor groot orkest, wordt beschouwd als een vooruitwijzing naar de neo-romantiek. Afgelopen december werd het uitgevoerd in het Utrechtse Vredenburg, samen met mijn Trance Dance. Toen zie hij: “Stuur me maar een bandje van jouw stuk, ik ga onder géén beding naar dat concert. Ik word er gek van als ik naar mijn eigen muziek moet luisteren. Bovendien is het hondsmoeilijk en ik wil die mensen niet zien lijden.”

Ellen Highstein, coördinator van het Tanglewood Music Center: “Het unieke van Tanglewood is dat het niet alleen de zomerresidentie van een orkest is, maar tevens een scholingsinstituut. De orkestleden, dirigenten, uitgevoerde componisten en solisten die gastoptredens verzorgen geven er les aan getalenteerde studenten uit heel de wereld. Ze krijgen een intensieve training en doen een breed scala aan ervaringen op met de muziekpraktijk. Dat was het briljante van Koussevitzky's visie.” Onder Koussevitzky's leiding groeide een simpel en doeltreffend idee uit tot een van de meest gerenommeerde vervolgopleidingen op het conservatorium. Wie in Tanglewood studeert, ziet in een paar maanden tijd zijn halve platenkast tussen de reusachtige sparrenbomen voorbijwandelen. De ongeveer honderdvijftig studenten, geselecteerd uit vele duizenden jaarlijkse aanmeldingen, geven zelf eveneens concerten. Er worden talloze ensembles gevormd, die onder supervisie staan van specialisten op hun vakgebied. Daarnaast rouleren de studenten gezamenlijk in het Tanglewood Music Center Orchestra. Van juni tot augustus heeft er zodoende een stortvloed aan concerten plaats. In het weekend zijn er vaak drie of vier op een dag, niet zelden van een verbluffend hoog niveau. Alle concerten, repetities en de daaromheen gedrapeerde seminars en masterclasses zijn voor de studenten vrij toegankelijk. Mezzosopraan Maartje de Lint studeerde vorig jaar af aan de operaklas van het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam.

Ojee

Afgelopen januari waren er voor het eerst audities in Den Haag. “Ik ging erheen, hoorde maandenlang niets en kreeg ineens een brief dat ik was aangenomen. Tanglewood is een overweldigende en inspirerende ervaring. Ik ben vooral getroffen door het hoge niveau van de docenten, de discipline en de enorme energie en inzet van de studenten. Als er in Amsterdam gevraagd werd 'wie wil er zingen?', dan was ik meestal de enige die mijn vinger opstak. Ik dacht: ojee, ik ben toch niet te onbescheiden? Hier steekt iedereen gewoon meteen zijn vinger op.”

Na afloop van de middagrepetitie rijden we naar het nabijgelegen plaatsje Lenox voor een lichte maaltijd. Reinbert de Leeuw maakt zich zorgen over de eventuele wachttijd bij het restaurant. Hij lijkt zich mentaal al aan het voorbereiden te zijn op de volgende en zwaarste klus: het avondconcert. Voordat hij naar Tanglewood kwam, was hij het gehele seizoen al actief. In juni deed hij nog van zich spreken met de Kagel-concerten tijdens het Holland Festival. Na Tanglewood is er eventjes rust en dan breekt spoedig alweer het komende concertseizoen aan. Als ik hem vraag of deze onophoudelijke stroom van activiteit, behalve zijn liefde voor muziek wordt gevoed, er ook voor zorgt dat hij niet te veel bezig is met zichzelf, reageert hij kribbig: “Ach, je kunt alles wel willen analyseren, het zegt uiteindelijk helemaal niets. Je moet gewoon dóen. Ik geloof er niet in dat je je ergens op kunt beroepen. Een alcoholische vader, de een slaat daarvan aan het moorden, de ander ontwikkelt zich juist als een volkomen evenwichtig mens. Het gaat erom wát je doet, daar kun je iemand op beoordelen. Waarom je iets doet, doet niet ter zake.” Later, nadat hij met tegenzin wat van een voorgerecht heeft gesnoept, slaat plotseling de onzekerheid toe: “Is het geen loodzwaar, donker en grimmig programma, is het niet allemaal veel te somber? Ieder stuk deelt echt een kaakslag uit.” Ik werp tegen dat andere concerten, zoals dat van gisteren, juist weer een meer easygoing karakter hebben en dat er sprake is van een balans in het geheel. Hij is er niet gerust op en besluit zich af te gaan zonderen, ter voorbereiding op het concert.

Zuchtend

De Leeuw herrijst weer, om klokslag half negen, nadat de Seiji Ozawa Hall is volgestroomd. Vanaf de eerste, zuchtende inzet van de strijkers is hij in de ban van de muziek, en de muziek is in de ban van Reinbert de Leeuw. Het eerste stuk op het programma zijn de Tsvetajeva-liederen van Sjostakovitsj. Ze worden op voortreffelijke wijze gezongen door Maartje de Lint, die na afloop zichtbaar is overrompeld door de ovationele bijval van het Amerikaanse publiek. De volgende gang is Wolfgang Rihms Gesungene Zeit. Na de pauze zijn de zangers en muzikanten door de gehele zaal en over de beide balkons verspreid. Zowel in Kurtags Grabstein für Stephan als het enerverende Now always snow van Sofia Goebajdoelina, weet Reinbert de Leeuw ze aldoor moeiteloos te vinden en gebaart hij om zich heen als een virtuoos marionettenspeler.

Het loopt tegen één uur 's nachts, we zijn op een feestje na afloop van het concert. Hij is in gesprek met een student, over Messiaens Quatuor pour la fin du temps. De uitvoering van dit kwartet deze ochtend heeft op de student een onuitwisbare indruk gemaakt.

Reinbert de Leeuw: “Ik weet nog dat ik ergens eind jaren vijftig voor het eerst die partituur zag, ongelofelijk. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat je zoiets kon spelen. Ik heb het een jaar lang bestudeerd. Niet om het uit te voeren, maar gewoon om te kijken hoe het stuk werkte. Later heb ik het vijfentwintig jaar lang uitgevoerd, met Vera Beths, Anner Bijlsma en Sjors Pieterson. Messiaen moet je als een spirituele ervaring over je heen laten komen, dan pas kun je het spelen. En het zit allemaal in het ritme. Die cellosolo, haal het tempo weg en het klinkt als Fauré.” Ik informeer of hij al is wezen plassen. “Nee, ik drink ook maar twee biertjes vanavond, want morgen moet ik weer vroeg op. Heb ik weer zo'n lange dag.”