Op reis gaan is verschrikkelijk

In zijn onvolprezen roman Sabbath's Theater komt Philip Roth te spreken over het eerste het beste domme beest dat ineens ophoudt met het ene en begint met het andere en waarvan je nooit weet of zijn leven een en al vrijheid of zonder enige vrijheid is. In die opmerking wordt al, als vanzelfsprekend, dat rampzalige onderscheid gemaakt tussen een en al vrijheid en zonder enige vrijheid.

Of er ook maar enig dier is waarvoor dat onderscheid relevant geacht mag worden, is zeer de vraag, maar mensen maken dat onderscheid heel nadrukkelijk. Je hebt (en streeft ook naar zoveel mogelijk) tijd waarin er sprake is van een en al vrijheid, zogenaamde vrije tijd, en je hebt tijd zonder enige vrijheid. Hoe zou die tijd genoemd moeten worden? Onvrije tijd? Onvrije tijd, dat moet wel iets heel onplezierigs zijn. Dat is tijd van dwang, plicht, noodzaak, werkdruk, geestdodende arbeid.

Mij dunkt echter: als we de krampachtige wijze aanschouwen waarop mensen hun zogenaamde vrije tijd vullen, dan krijg je de indruk: juist die vorm van leven is zonder enige vrijheid. Als ultieme vorm van vrijetijdsbesteding geldt wijd en zijd: op reis gaan! Zeker in deze tijd van het jaar valt de verschrikkelijke slagschaduw van de dwangneurose dat je op vakantie hoort te gaan. Het is zo vanzelfsprekend dat je huis en haard verlaat dat er niet eens aan je gevraagd wordt: 'Gaan jullie dit jaar nog weg?', maar uitsluitend 'Waar gaan jullie dit jaar heen?' Dat je zou kunnen prefereren om thuis te blijven, is volstrekt ondenkbaar. Want op reis gaan is immers verrukkelijk.

Dat mensen op reis omkomen bij verschrikkelijke busongelukken, neerstorten in propellervliegtuigjes, beroofd worden van hun fondsen en paspoorten, kapot gestoken worden door (malaria-)muggen, in tropische landen de engste ziekten oplopen, op vliegvelden soms dagenlang moeten rondhangen, legt om de één of andere reden geen gewicht in de schaal. Krampachtig en blijmoedig wordt de illusie in stand gehouden dat blikverruimend reizen wel zowat het allerleukste is wat een mens kan doen, en passend daarbij is dat ook de gemiddelde Nederlandse auteur van dit moment, behalve over seks, nog vrijwel uitsluitend over zijn vakantiebelevenissen rapporteert. En dat terwijl Willem Brakman lang geleden heel terecht al schreef over de lijdensweken van de vakantie.

Vrije tijd is verschrikkelijk. Dat is de tijd waarin je letterlijk alles kunt doen en je derhalve gedwongen bent keuzes te maken. Let op het woord gedwongen. Juist daar komt de dwang om de hoek kijken, het moeten. In de tijd waarin je met zinvolle arbeid bezig bent, hoef je niets te kiezen. Het werk heeft jou gekozen en bijgevolg ben je juist dan waarlijk vrij. Mensen met veel vrije tijd, daar kun je alleen maar innig medelijden mee hebben. Niets is volgens mij verschrikkelijker dan werkloos zijn, ofwel al je tijd vrij hebben. Niets is verrukkelijker dan een baan, een bezigheid, een taak die je volledig opeist, en je vrijwel geen ruimte laat om je tijd te verlummelen. Natuurlijk, het is prettig om af en toe een verstolen uurtje over te hebben om in zo'n prachtige roman als Sabbath's Theater te lezen, maar zulke uurtjes zijn alleen maar aangenaam als het aanbod ervan schaars blijft. Hoe meer tijd er is om naar eigen inzicht te besteden, hoe minder kostbaar die tijd blijkt te zijn, en hoe meer tijd je verlummelt.

Waar het dus opaan komt is streven naar zo weinig mogelijk vrije tijd. Dat is niet eens zo eenvoudig, want arbeidsduur- en arbeidstijdverkorting zijn aan de orde van de dag. Daar werkgevers ons geen taken meer stellen, moeten we leren om onszelf taken te stellen. Liefst iets wat moeilijk is. Sanskriet leren, de Boole-algebra onder de knie krijgen, het hele werk van Roger Martin du Gard lezen, het tweede scherzo van Chopin instuderen. Probeer daarbij ook volledig de gedachte uit te bannen dat je van dat alles zou dienen te genieten. Genot is iets wat een mens onverhoeds kan toevallen, nooit en te nimmer iets wat een mens moet nastreven.

Ik weet nog dat ik op de middelbare school altijd zo snel mogelijk al mijn huiswerk maakte teneinde tijd over te houden om te lezen. Wat genoot ik dan enorm van die schaarse leesuurtjes! Maar in de lange schoolvakanties, als ik al mijn tijd vrij had om te lezen, dan bleek lezen - wat ik toch altijd het liefste deed - lang zo leuk niet te zijn. Alleen wat schaars is, blijkt kostbaar.