Ongeluk

In de zomervakantie gingen wij bijna altijd naar Ierland, land van grootouders en oudtantes. Maar we zijn ook twee keer met vakantie in Engeland gebleven, in gehuurde huizen, zonder familiebezoek. We gingen met een taxi naar Liverpool Street Station; we waren erg opgewonden, onze tassen stonden al sinds weken gepakt en we hadden onze vakantieboeken allang uit.

Een kruier stapelde de koffers op een steekkarretje; mijn vader, met zijn verrekijker over zijn schouder, betaalde de taxichauffeur, en iemand sloeg het portier van de taxi dicht, heel hard, op mijn hand. Het deed erg pijn.

Onze bagage zou doorreizen, zei mijn vader, in de conducteurswagon. Zo deed men dat, we hoefden ons er geen zorgen over te maken. Maar op een groot station onderweg zagen mijn broer en ik onze koffers langsglijden op een karretje; mijn vader sprong uit de trein - die stopte er niet lang - om ze weer terug te halen.

Tegen die tijd was ik de pijn in mijn hand vergeten.

En de tweede keer dat we naar Liverpool Street Station gingen gebeurde het weer, precies hetzelfde: station, kruier, taxideur dicht geklapt op mijn hand. Maar de koffers bleven in de trein.

Later zijn we ook naar Frankrijk geweest, met de auto. We hadden veel spullen bij ons, boeken en verrekijkers en andere handige dingen, en op de terugweg kregen we een ongeluk. Het was onze schuld niet, maar onze auto reed niet meer. Al die spullen moesten toen met ons mee, in de trein.

Mijn ouders wilden niet over Parijs gaan, dat hadden we op de heenweg ook niet gedaan, maar nu moest het wel, met de trein. Als landverhuizers met al die koffers en tassen namen we een taxi van het ene Parijse station naar het andere.

Het was heel vroeg, een schemerige zomerochtend, ik had nog nooit zoiets moois gezien. Later zou ik er wonen, maar dat wist ik nog niet.