Minister Van Mierlo's engagement met Suriname; Tussen verbroedering en recht

Minister Van Mierlo betreurt de 'moeilijke tijden' als gevolg van de zaak-Bouterse. Al langer voelt hij zich sterk betrokken bij Suriname. Kippenboutjes en kousenvoeten: 'Hier kun je tenminste nog echte buitenlandse politiek bedrijven.'

DEN HAAG, 22 AUG. Als het over Suriname gaat wordt minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken plotseling poëtisch. “Wie de roep van dit land kent weet hoe onherroepelijk dat bij je blijft”, zegt hij bij zijn eerste bezoek als minister in februari 1995.

Hij is er in het begin van de jaren tachtig zeven keer geweest als lid van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland Suriname (CONS). Van Mierlo zegt er een grote liefde voor het volk, voor het land en zijn cultuur aan overgehouden te hebben. Hij schrikt veertien jaar later van 'de verpaupering' die hij ziet op de lange weg van het vliegveld Zanderij naar de stad. In februari '95 zegt hij al te willen dat de twee landen uit 'de loopgraven komen en hun onderlinge relaties verbeteren'.

Dat wordt duidelijk als zijn secretaris na aankomst in Paramaribo een boot huurt. Van Mierlo wil van zijn bezoek een feest maken en laten zien hoezeer hij zich met het land verbonden voelt. Op de zaterdag van zijn bezoek worden honderd Surinaamse politici, zakenlieden, vakbondsmannen, kunstenaars, wetenschappers en sociaal werkers ingeladen voor een tochtje over de brede rivier de Suriname. Van Mierlo gaat van gast tot gast en vraagt wat er mis is tussen het voormalig moederland en de kolonie.

In de tuin van de plantage Katwijk blijkt de lunch met veel geroosterde kippenboutjes en grote garnalen zijn schepelingen tevreden te stellen. “Eindelijk een minister die ons repecteert als Surinamers en niet dat neerbuigende gedoe van een Hollander”, zegt een van hen. De zich als ruimhartige Brabander presenterende gastheer is zelf ook content. “Hier kun je tenminste echte buitenlandse politiek bedrijven. De marges zijn hier minder smal,” zegt hij bij het afmeren. En bij thuiskomst in Nederland prijst premier Kok hem voor de verbroedering waarmee hij een begin heeft gemaakt.

Minister Van Mierlo houdt de Tweede Kamer, bij herhaling confidentieel, op de hoogte van de vorderingen. Wel vraagt hij het parlement met klem om die verbeterende relaties niet te verstoren door al teveel kritiek op Suriname en zijn politici te uiten. Zijn eigen fractie roept bij monde van het Kamerlid G. Roethof op tot 'tederheid' richting Suriname en pleit ervoor niet terug te kijken.

Van Mierlo loopt op kousenvoeten als het om Suriname gaat. Eind '95 houdt hij een verzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid tegen, die studie wil maken van de toekomstige relaties tussen Nederland en Suriname. Hij zegt bang te zijn dat zo'n onderzoek verkeerd valt bij de regering Venetiaan en relaties opnieuw zou kunnen verstoren.

De wetenschappers willen louter nagaan hoe de Nederlandse regering moet opereren als in het jaar 2000 de pot met 3,5 miljard ontwikkelingsgeld, toegezegd bij de onafhankelijkheid in 1975, leeg is. Moet Suriname zich niet langzamerhand meer richten op regionale ontwikkeling en samenwerking in het Caraïbisch gebied en de landen aan de noordelijke en oostelijke rand van Latijns Amerika? Het is een van de vragen waarop bij Van Mierlo's dictaat geen antwoord komt.

De minister neemt de waarschuwing van partijleider Winston Jessurun van DA '91, dat banden onderhoudt met D66, zeer serieus. Jessurun zegt tijdens de verkiezingscampagne in 1996 dat “de informele macht veel groter is dan de legitieme macht in Suriname”. Juist die legitieme macht wil Van Mierlo met het Raamverdrag uit 1992 versterken. Hierin staat de samenwerking op het terrein van defensie, justitie, financiën, en 'verbetering van bestuur' centraal. Maar uitvoering van die samenwerking verloopt traag of verdwijnt, ondanks de plechtige belofte van Van Mierlo uit februari '95 “om heel vaak met Suriname te bellen.” Alleen op het terrein van ontwikkelingssamenwerking worden vorderingen gemaakt. Met voorkeuren van de regering Wijdenbosch voor de besteding van ontwikkelingsgeld wordt rekening gehouden.

In twee jaar tijd reist Van Mierlo drie maal naar Suriname. De laatste keer, in juni 1996 is hij er aanwezig bij de opening van een van grootste ambassades van Nederland. Op dat moment wordt het Surinaamse kabinet geformeerd. Ter plekke laat Van Mierlo door zijn medewerkers zeggen dat als de partij van Bouterse, de NDP, aan de macht komt “de ondergrens van de betrekkingen tussen Nederland en Suriname is bereikt”.

Maar Van Mierlo is zich er ook van bewust dat de Nederlandse regering gedwongen is eveneens de relaties met de NDP goed te houden. Hij heeft daar drie redenen voor: de grote Surinaamse gemeenschap in Nederland; diplomatieke druk op Den Haag van bondgenoten die stabiliteit willen in Suriname, zoals Brazilië, Venezuela, Frankrijk en de Verenigde Staten, en zijn eigen 'lotsverbondenheid' met Suriname. Van Mierlo bepleit op het ministerie alles te doen aan goede betrekkingen.

Sterk betrokken bij Suriname betreurt Van Mierlo “de moeilijke tijden van dit moment en de moeilijke tijden die nog komen” als gevolg van het gerechtelijk vooronderzoek tegen Bouterse. Hij stemt in met het besluit van het kabinet om niet tussenbeide te komen als het openbaar ministerie in mei na jaren van onderzoek Bouterse op een lijst van Interpol zet, maar doet dat op 18 juli toch. Vindt hij dat een allerlaatste waarschuwing aan Bouterse en president Wijdenbosch toch nog op haar plaats is?

Van Mierlo wil de regering Wijdenbosch er in Brazilië persoonlijk van overtuigen dat beide landen zich een slechte relatie als gevolg van het opsporingsverzoek niet kunnen permitteren. Hij ontkent bij monde van zijn woordvoerder dat hij met de 'pet in de hand' naar Rio is afgereisd. Hij noemt het opnieuw zijn plicht als minister verdere verstoringen te voorkomen.