Miloševic profiteert van breuk binnen oppositie

Over een maand kiezen de Serviërs een parlement en een president. Op 5 oktober kiezen de Montenegrijnen een president. Joegoslavië's sterke man Miloševic moet zich over de laatste verkiezingen meer zorgen maken dan over de eerste.

ROTTERDAM, 22 AUG. Slobodan Miloševic, president van Joegoslavië, was woensdag jarig. Het was voor de studenten van Belgrado aanleiding tot een poging op de stoep van zijn residentie een banaan te deponeren - als symbool van de bananenrepubliek die hun land is. De politie, niet voorzien van hun type humor, verijdelde die poging.

Het onschuldige protest is geen schaduw meer van de massale protestgolf waarmee dezelfde studenten en de oppositiecoalitie Zajedno van november vorig jaar tot februari dit jaar Miloševic het leven zuur maakten, met dagelijkse demonstraties die uiteindelijk tot zijn capitulatie leidden. De situatie van nu is anders: Miloševic kan de verkiezingen van 21 september met vertrouwen tegemoet zien.

Dat dankt hij aan Vuk Draškovic, de leider van de oppositionele Servische Vernieuwingsbeweging SPO. Tot juni leidde Draškovic met Zoran Djindjic (leider van de Democratische Partij) en Vesna Pešic (leider van de Burgeralliantie) de oppositiecoalitie Zajedno. Maar Draškovic heeft Zajedno verlaten en schurkt nu prettig aan tegen de Servische Socialistische Partij (SPS) van dezelfde Slobodan Miloševic die hij jarenlang zo kwaad heeft bestreden.

Draškovic is zeer ambitieus. Die ambitie leidde na de Zajedno-zege in februari tot strubbelingen met Zoran Djindjic. Na jarenlang de eerste viool te hebben gespeeld binnen de oppositie kon Draškovic niet verkroppen dat Djindjic' populariteit tijdens de protestmarathon groter was geworden dan de zijne. De interne ruzies leidden uiteindelijk tot een breuk toen Draškovic zichzelf kandidaat stelde bij de verkiezingen om het Servische presidentschap en zich niet aansloot bij de boycot van de verkiezingen door de partners binnen Zajedno.

Miloševic maakte handig gebruik van de breuk in de oppositie. Hij zocht contact met Draškovic en ging in op de drie eisen die deze hem voorlegde in ruil voor medewerking van de SPO: Miloševic moest ophouden met de sluiting van onafhankelijke radiostations, moest de SPO toegang verlenen tot de Servische televisie en moest de Europese Veiligheidsorganisatie OVSE uitnodigen waarnemers naar de verkiezingen te sturen. Toen Miloševic de drie eisen inwilligde, concludeerde Draškovic prompt dat “de omstandigheden voor verkiezingen tien keer beter zijn dan ooit sinds 1990” en dat ze “een historisch en beslissend keerpunt voor Servië's toekomst vormen”.

Waarnemers hebben nog een tijdje moeten gissen naar de tegemoetkomingen die Miloševic Draškovic heeft gedaan. Vorige week verschafte op een besloten bijeenkomst de SPO-burgemeester van Novi Sad opheldering: Miloševic, zei hij, heeft Draškovic “zeker 60 parlementszetels en tien ministersposten in de nieuwe Servische regering beloofd.” Een verslaggever van het blad Dnevni Telegraf was bij de bijeenkomst aanwezig en zette de onthulling de volgende dag in de krant.

Sinds zijn breuk met Zajedno schuift Draškovic gestaag op in de nationalistische richting waarin hij zich een jaar of zes geleden zo graag ophield. Maandag zei hij zelfs dat Kosovo weer 'Oud-Servië' moet gaan heten - een poging de Servische ultra-nationalisten in dit door een grote meerderheid van Albanezen bewoonde gebied te paaien: in Kosovo staan 42 parlementszetels op het spel, die allen door Servische kandidaten zullen worden ingenomen, omdat de Albanezen de verkiezingen boycotten.

Miloševic kan op 21 september nog enige hinder ondervinden van Djindjic' Democratische Partij en van de ultra-nationalistische Radicale Partij van Vojislav Šešelj. Maar een forse meerderheid van zijn socialistische partij in het parlement en een zege van zijn kandidaat voor het Servische presidentschap, Zoran Lilic (zijn voorganger als president van Joegoslavië) zit er dik in.

Meer reden tot zorg heeft Miloševic in de andere deelrepubliek van Joegoslavië, Montenegro, waar op 5 oktober een nieuwe president wordt gekozen. De machtsstrijd tussen de huidige president Momir Bulatovic (fel pro-Miloševic) en de Montenegrijnse premier Milo Djukanovic (fel anti-Miloševic), die elkaar al maanden in een taaie guerrilla bestrijden, neemt bizarre vormen aan. Op 11 juli leed Bulatovic in de guerrilla een zware nederlaag toen de in regerende Montenegrijnse socialistische partij, de DPS, hem als partijvoorzitter afzette, hem uit de partij gooide en premier Djukanovic aanwees als DPS-kandidaat bij de presidentverkiezingen.

Bulatovic liet het er niet bij zitten. Op 6 augustus kwamen 363 aanhangers van de president bijeen voor een 'congres'. Ze maakten aanspraak op de naam DPS, 'herkozen' Bulatovic als partijvoorzitter, maakten hem DPS-kandidaat bij de verkiezingen, gooiden “de anti-Servische putchist” Djukanovic uit de partij en zetten 58 leden van het partijbestuur af.

Sindsdien zijn er twee DPS'en, die van Djukanovic, die de meederheid vertegenwoordigt, en een rebelse van Bulatovic. Het Constitutionele Hof van Montenegro heeft inmiddels Bulatovic als presidentskandidaat van de DPS afgewezen, want er was al een DPS-kandidaat. Daarop heeft Bulatovic het federale Joegoslavische Constitutionele Hof om een uitspraak over zijn kandidatuur gevraagd, maar zo'n uitspraak zou volgens het Montenegrijnse Hof de grondwet schenden.

Een zege van Djukanovic op 5 oktober zou voor Miloševic rampzalig zijn en de komende maand zal hij alle zeilen moeten bijzetten om de Montenegrijnen in het gareel te dwingen. Geen wonder dat de Servische media dag in dag uit alle propagandaregisters opentrekken om Djukanovic zwart te maken. Geen wonder ook dat de Serviërs (volgens de Montenegrijnse minister van Handel, Branko Vujovic) een economische blokkade tegen Montenegro hebben afgekondigd.