Liefdesbrief voor een replica van een Amati-altviool

In Apeldoorn begint morgen de tentoonstelling over hedendaagse vioolbouw 'Klankideaal op een voetstuk'. Onder meer is daar een replica van een Amati-viool uit 1592 te zien, gemaakt door Ronald de Jongh.

De Viola Tenore is te zien op de tentoonstelling 'Klankideaal op een voetstuk', Van Reekum Museum, Apeldoorn, 23 aug t/m 7 sept. Het instrument is voor projecten te leen bij Ronald de Jongh, Lauriergracht 6, Amsterdam. Tel. 020-4208061.

AMSTERDAM, 22 AUG. 'Cremonese Vioolbouw' staat er op de deur van zijn Amsterdamse atelier. Dat lijkt enigszins dubbelop want Cremona ís vioolbouw. De Amati's begonnen er in de zestiende eeuw hun werkplaats, Stradivari en Guarneri leerden er van hen het vak en ook Ronald de Jongh (1962) verbleef vijf en een half jaar in de Lombardische provinciestad.

Mathijs Heyligers bracht hem de beginselen van het vak bij, maar wat hij nu weet vond hij vooral zelf uit. “Daarom wil ik ook geen leerlingen. Het enige dat ik ze zou kunnen leren is dat je het zelf uit moeten zoeken. Dat is de essentie van dit vak. Je komt op een spoor en dan gebeurt er iets dat een eigen leven gaat leiden. Dat kun je niet verklaren en dat moet ook niet. Het is een subtiele wetenschap”.

Begin jaren tachtig studeerde hij aan de Landbouw Universiteit in Wageningen. “Ik leerde daar wel de chemische samenstelling van pesticiden, maar niks over de levende natuur. Het was te stijf, ik liep daar gewoon vast.” Toen hij een Hongaars zigeunerorkest hoorde spelen gooide hij het roer om en besloot violen te gaan bouwen.

Experimenteren met materialen is voor De Jongh meer doel dan middel. Snaren maakt hij dus van varkensdarmen die hij haalt bij een slager op de Amsterdamse Zeedijk, en met een aantal schilders richtte hij een Pigmentclub op. Zo onttrekken zij zelf pigmenten aan de wortels van bomen en planten, zoals de meekrap. Zijn violen krijgen zo “precies dezelfde kleur als de jurk van het Joodse Bruidje van Rembrandt.”

Ook het geheim achter de Stradivari-violen heeft De Jongh eigenhandig achterhaald. Het uiterlijk en de bijzondere klank van een Stradivarius zouden grotendeels worden bepaald door een unieke methode om het hout te verduurzamen.

“Er is in de vorige eeuw een mythevorming over ontstaan in de tijd dat de handmatige vioolbouwkunst begon te verdwijnen. Maar dat procédé is vrij nauwkeurig te reconstrueren. Ik ben ook niet de enige die dat weet. Zo'n mythe is hardnekkig, die moet je rustig afbouwen. Over tien jaar heeft niemand het daar meer over.”

Dat De Jongh vooral 'authentieke' instrumenten maakt heeft niet alleen met zijn opleiding in Cremona te maken, maar vooral ook met een afkeer van de ontwikkeling die de viool de afgelopen eeuwen heeft doorgemaakt. “Het interessante aan het begin van de vioolbouw is dat het direct al goed was. Alle moderniseringen in de loop der eeuwen hebben wat mij betreft niet tot een mooiere klank geleid. Moet je horen.” De Jongh toont een enorme viool en tokkelt aan één van de snaren. “Zoals deze altviool doorklinkt is echt heel bijzonder.”

Het instrument dat hij vastheeft is een vorm-replica van de Viola Tenore van de gebroeders Amati uit 1592. Vijf centimeter groter dan een normale altviool en met een imposant diepe, donkere klank. “Als hij een goede dag heeft houden de klankkast en de snaren de trilling bijna tien seconden vast. Hij resoneert heel ontspannen”.

In 1991 las De Jongh een artikel over deze reus. “1592, dat is vier eeuwen oud! Toen ik dat las wilde ik een hommage brengen aan de Amati's.” Het origineel is in handen van de Engelse familie Hill in Oxford. Van de twintig oude instrumenten in hun collectie hebben zij zeer nauwkeurige tekeningen laten maken. De Jongh toog naar Oxford en kreeg de tekeningen van de Viola Tenore mee. “Ik wilde weten hoe het begonnen is. Die klank opnieuw uitvinden, op zoek gaan naar de vitaliteit van het begin. Deze viool straalt een en al levenslust uit.”

Twee maanden deed De Jongh er over, en alles met de hand. Vooral geen machines. “De Amati's hadden die ook niet. Dat bedoel ik nou, je moet alles zelf doen. Je menselijke energieën aanwenden, want die drukken zich uit in dat instrument en in de klank. Met machines 'kill' je die energieën, krijg je een andere lichaamshouding, een andere ademhaling een compleet verschillend gedachtenproces. Dat resulteert in een slechte kwaliteit. Het bouwen van deze alt was voor mij even ontspannend als een vakantie of meditatie voor anderen.”

Door zijn ongewone afmetingen kon De Jongh in eerste instantie geen bespelers vinden voor de viola. “Ik ben orkesten afgegaan, maar de mensen schrokken van het formaat. Vijf jaar lang heeft hij stil gelegen, tot Lucie van Dael, docente Barok-muziek aan het Sweelinck Conservatorium, een aantal van haar leerlingen langs stuurde. Sindsdien gaat alles vanzelf.”

Inmiddels wordt de viola regelmatig bespeeld. Eén van de bespeelsters stuurde het instrument zelfs een liefdesbrief. Altvioliste Elisabeth Smalt was zo enthousiast over de Viola Tenore dat ze er zelf een wilde hebben. Met steun van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds werd de bouw van een tweede instrument gefinancieerd. “Elisabeth is een vrouw van 1 meter 70. Dat blijkt groot genoeg voor zo'n enorm instrument. Ze pakte hem op en kon er meteen mee overweg. Ze zei dat haar lichaam zich voegde naar het instrument, het kost haar geen enkele moeite.”

Twee jonge componisten, Richard Simms en Paul Schwerzel, zijn momenteel bezig solostukken te schrijven voor het instrument, maar er wordt ook Mozart op gespeeld. “Het onderscheid tussen oud en nieuw is weggevallen.”

Ronald de Jongh beschouwt zichzelf dan ook als een 'ambachtsman van nu'.

“Wat wij nu zo mooi vinden aan oude gepatineerde Guarneri-violen, wordt vaak toegeschreven aan slijtage. Maar volgens mij zat dat er altijd al op. Het is de hand van de meester, strakheid was toen nog geen maat. Als je dat accepteert manifesteert zich het vrije, dan gaat alles op een zuchtje wind.”

    • Floris Brester