'Lekker sappig Beiers - da's beter dan dat dorre Duits'; Gesprek met Herbert Achternbusch

In Nederland vindt men zijn boerenstukken prachtig, in Beieren is hij al twintig jaar lang een enfant terrible: de vrijdenker, fantast en mythenschepper Herbert Achternbusch. Het aantal huwelijken dat hij achter de rug heeft is even moeilijk bij te benen als zijn artistieke produktie en een vuistdik boek staat op verschijnen. “Mijn moeder”, zegt hij, en hij neemt een snuif, waarop zijn neus gaat bloeden, “mijn moeder heeft zichzelf doodgeschoten, dwars door d'r mond.”

Der letzte Schliff verschijnt eind augustus bij uitg. Carl Hanser. Bij S. Fischer komen binnenkort twee nieuwe toneelstukken van Herbert Achternbusch uit: Dulce est en Tukulti. De jongste Duitstalige verzamelbundel van Achternbusch' stukken (Fischer Taschenbuch 1996) heet Die Einsicht der Einsicht; prijs: ƒ 47,60. In het Nederlands is verkrijgbaar: Herbert Achternbusch - toneel. Uitg. International Theatre & Film Books ism Theatergroep Hollandia, 1992; prijs: ƒ 24,50.

Von der Presse habe ich zur Zeit die Nase voll. Dat was, in 1995, het antwoord van Herbert Achternbusch op het vriendelijke verzoek om een interview. Een jaar later, toen ik toch in München was, knorde hij door de telefoon: “Nou vooruit dan, komt u maar. Als u belooft dat het geen interview wordt. Gewoon een beetje praten. Burgstrasse nummer 8, de bel zit onder het bordje HERBERT.”

Multi-kunstenaar Achternbusch, 58, permitteert zich de luimen van het genie. In elk geval vindt de Beier zèlf dat hij een genie is, een miskend genie natuurlijk: “De gemeente München had allang een Herbert-Achternbusch-museum moeten openen.” Zijn donkere kleren en de vilthoed op zijn kale kop voldoen aan alle clichés van de would-be-bohémien. Toch imponeert zijn verschijning. Het magere lijf, de diep in hun kassen liggende ogen, de verwelkte maar hunkerende mond: dit fysiek draagt de onmiskenbare sporen van uitputting en de taaie weerstand daartegen. Achternbusch' vernietigingslust mag er wezen (zo wilde hij, in 1973, zichzelf in de Etna-krater verzuipen) en anderzijds raakt zijn scheppingsdrang aan het grenzeloze.

Twintig toneelstukken heeft hij tot nu toe geschreven - veel meer dus dan alleen zijn boerendrama's Ella en Gust en De laars en zijn sok die hem in Nederland populariteit bezorgden, dankzij de knoestige vertolkingen van Theatergroep Hollandia. Zijn overige proza illustreert hij eigenhandig en zijn schilderijen maakt hij verwoed en serieus: gehurkt op de grond zit hij dan, tien of twaalf uur achtereen, totdat hij besluit een biertje te pakken in een café waar de serveersters lief voor hem zijn. En verder is Achternbusch een fanatiek cineast.

In zekere zin werkt zijn produktiviteit in zijn nadeel. De lezers lezen niet zo snel als hij schrijft; de verzamelaars verzamelen niet zo snel als hij schildert; de cinefielen kijken niet zo snel als hij filmt. En ook al beschik je over zeeën van tijd, dan nog moet je van Achternbusch houden. En ook al houd je van Achternbusch, dan nog moet je je voorbereiden op momenten van felle ergernis. Zou het juist die ergernis kunnen zijn die de expeditie door het oeuvre van Herbert Achternbusch zo spannend maakt, zo enerverend, zwaar en mooi?

Elke goede kunstenaar stopt in zijn werk zijn ziel en zaligheid, gooit zijn Ik voor de leeuwen, maar Achternbusch houdt echt geen haartje, geen vezeltje van zichzelf achter. Wat hij vandaag beleeft, staat morgen in zijn nieuwste manuscript, getikt op een archaïsche Triumph-machine. Gênante ontboezemingen - in het vuistdikke, op verschijnen staande egodocument Der letzte Schliff ('De laatste polijstbeurt') bijvoorbeeld - doorspekt hij met wildwoekerende fantasieën en met onredelijke uitvallen jegens allen die hem gekwetst hebben, kwetsen of nog eens zullen kwetsen. Maar hij kan ook sentimenteel zijn en zwelgen in (zelf-)medelijden; niet zelden is het papier dat hij zijn uitgever in handen drukt nog nat van de tranen.

En, eerlijk is eerlijk, ook ìk snotter bij de naaktste, de kwaadste, de meest pathetische passages. Zoals bij dit hier (uit Der letzte Schliff): In einem jeden Menschen sah ich eine Begrenzung. Auf drei Seiten vernagelt, sahen sie mit einer offenen Seite auf das hin, womit sie ihr Leben fristeten. Ich konnte nichts, als an den Menschen zu leiden.

Korset

Achternbusch is er niet de man naar om misstanden en ellende eens haarfijn te ontleden. Hij luistert naar zijn emoties en in Der letzte Schliff verdedigt hij zijn houding met de vraag: 'Wat heb ik anders dan mijn gevoel?' Een schrijver, meent Herbert Achternbusch, die zichzelf hupsakee in het korset van de ouderwetse romanvorm perst is net zo aangepast als een brave ambtenaar. De enige weg naar de vrijheid is: je onttrekken aan de censuur in je hersenpan. Wie die stap waagt, reist naar de wereld van het voor-bewuste, waarin blauwe paarden met rode vrouwen paren en de persoonlijke tragedie weer een gruwelijk mooie mythe wordt.

Sommige Duitse critici vinden dat Achternbusch, de schrijver, strenger voor zichzelf zou moeten zijn. Wat meer knip- en plakwerk zou verhelderend werken. Achternbusch structureert zijn teksten echter wel degelijk - op zijn eigen associatieve manier. En daar hij altijd van zeer aardse ervaringen uitgaat kunnen we zijn emotionele erupties meestal best volgen. Dat aardse, dat zijn in de eerste plaats de vrouwen: voorop in de processie loopt zijn moeder. Zonder Luise zou zijn werk waarschijnlijk niet tot stand zijn gekomen. Hij verdedigt haar, beschuldigt haar, vergeeft haar, beklaagt haar, verheerlijkt haar en verlangt naar haar. In zijn boeken beschrijft hij haar het treffendst, maar hier noteren we wat hij in München over haar vertelde, daar in zijn met verf besmeurde atelierwoning achter de drukke Marienplatz.

“Mijn moeder”, zegt hij, en hij neemt een snuif van de op zijn handrug gestrooide tabak, waarop zijn neus gaat bloeden, “mijn moeder heeft zichzelf doodgeschoten, dwars door d'r mond. Afgeschoten heeft ze zichzelf als een ziek dier - ze was toen tweeënzestig.” Volgt het relaas van een mislukt leven, beginnend bij een ongewenste zwangerschap (het resultaat: Herbert Achternbusch) die Luises droom op slag vernietigde. Een van de schilderijen (en films) van de zoon heet Die Olympiasiegerin: een jonge vrouw, krachtig gebouwd en pezig, zweeft wijdbeens in de blauwe lucht. Olympisch kampioene had Luise willen worden, in Tokio 1940, maar ze werd een tobberige tennislerares, een alleenstaande moeder die de eindjes niet aan elkaar kon knopen.

“Op m'n vijfde heeft mijn moeder me naar mijn oma in het Beierse Woud gebracht. Officieel omdat het voor kinderen te gevaarlijk was geworden in het gebombardeerde München, maar ook omdat ze van me af wou. Ze heeft me daar in de bossen gelaten totdat ik twintig was.” Het verstoten kind: niet alleen de Herberts in Achternbusch' werk maar ook de Ella's en Gustls en Susns, allen geënt op echte verwanten van de schrijver, lijden aan zo'n trauma. Ella, Achternbusch' in haar jeugd mishandelde tante, sleet het grootste deel van haar leven in kippenhokken en gestichten; zij was een weerloos mens. Achternbusch zelf daarentegen, niet minder beschadigd, ('mijn gekte heb ik van tante Ella') probeert te vechten tegen de hopeloosheid - door haar steeds opnieuw te benoemen.

“Wat ik nù onbegrijpelijk aan mijn moeder vind, is niet zozeer het feit dat ze mij heeft gedropt, maar vooral haar blindheid jegens de nazi's. Dat er zes miljoen joden vermoord zijn, heeft ze nooit willen geloven. Ze was een grote steun voor Ella, maar het was dan weer zo dom van haar dat ze zei: 'Zie je wel dat de nazi's niet zo erg waren, dat ze niet alle gekken hebben vermoord? Want onze Ella hebben ze toch maar mooi laten leven!' ”

Vergoelijkend: “Op politiek gebied was mijn moeder volkomen onontwikkeld. Terwijl haar gevoelsmatige intelligentie wèl in orde was. Gevoelsmatige intelligentie betekent dat je precies weet of je van iemand houdt of niet. Zij was daar altijd heel zeker in. Veel mannen hebben haar het hof gemaakt want ze zag er leuk uit. Maar de kerels die haar niet bevielen wees ze radicaal af.”

En de zoon, voelt hìj zich zeker in de liefde? “Ik weet het niet”, mompelt Herbert Achternbusch met een stevig Beiers accent.

In het dagboekachtige Hundstage uit 1995 lezen we: 'Ik kan niet liefhebben.' Is dat een bekentenis? “Ehhh ja - maar óók een literaire truc. Een negatieve bewering heeft nu eenmaal meer effect dan een positieve. Als je je tot het positieve zou beperken zou je snel uitgeschreven zijn. Op papier maak ik de liefde dus nog erger dan ik haar in werkelijkheid ervaar.”

Ook in het echte leven, geeft hij toe, is hij verwikkeld in bar lastige relaties. Hij is nu aan zijn vierde huwelijk bezig of aan zijn vijfde (door alle vrouwenverhalen van hem raak je de tel kwijt), en soms krijg je de indruk dat hij zijn vader Adi Achternbusch nadoet. Ook Herbert verwekte al op jonge leeftijd, op z'n twintigste om precies te zijn, per ongeluk een kind; ook hij verliet paniekerig kroost en vrouwen omdat hij zich met het gezinsleven geen raad weet. “Mijn vader was inderdaad net zo'n man als ik in mijn boeken beschrijf”, zucht Herbert Achternbusch zachtmoedig.

“Nadat hij mijn moeder bezwangerd had liet hij haar stikken. Hij was een zuiper en gokker en soms had-ie nog maar twintig pfennig, amper genoeg voor een rit met de tram. Hij was gemeen maar ook origineel. Toen hij mijn oma eens vijf mark teruggaf die zij hem geleend had, deed hij er een stuk taart bij cadeau. In 1927 ging hij bij de SA. Zeven jaar later werd zijn vriend door diezelfde nationaal-socialisten vermoord. Mijn vader is naar de partijcentrale in München gestapt, heeft zijn partijboekje op tafel gelegd en gezegd: 'Met jullie wil ik niks meer te maken hebben.' Sindsdien is mijn vader voor mij een toonbeeld van moed, van Zivilcourage.”

Alcholcontrole

Herbert Achternbusch is wat je noemt van eenvoudige komaf en nog steeds voelt hij zich het meeste aangetrokken tot niet-intellectuelen. “Van arbeiders léér ik wat. Zo'n dommige Depp in het café reikt me uitdrukkingen aan die ik gebruiken kan. Lekker sappig Beiers - da's beter dan het dorre Duits van een professor. Laatst vertelde een bouwvakker me dat-ie bij het autorijden door de politie was aangehouden. Alcoholcontrole: hij moest blazen maar weigerde dat. Toen zei die agent: 'Als ù niet blaast, dan blaas ìk voor u.' Dat deed hij en de meter sloeg flink uit. Zo is de Beierse mentaliteit.”

Is dat alles? Dan vallen de Beiers waar hij zo vaak op in hakt, zo sputter ik, reuze mee... “En de CSU dan”, blaft mijn gastheer, “dat zijn toch zeker idioten! Politici bedriegen het volk altijd, maar die van de CSU doen dat zo overduidelijk, gewoonweg schaamteloos!” Wat doet de CSU dan verkeerd? “Bijvoorbeeld. Het Bundesg'richt hat g'soagt: 'Op openbare scholen is het crucifix een provocatie.' Een terechte opmerking. Maar de CSU maakt dan snel een nieuwe wet - want Beieren, moet u weten, heeft als enig Bundesland een eigen grondwet. En in die wet staat dat er in elk klaslokaal een crucifix moet hangen. Verdomme! Ik heb zes kinderen, het jongste meisje is drie, en ik wil niet dat die kleine geconfronteerd wordt met een gekruisigde mens! Met een mens die lijdt! Dan kun je beter naar een Boeddhabeeld kijken: dat is tenminste iets prettigs, een man die rustig zit na te denken!”

Las hij vroeger nog graag in de bijbel, tegenwoordig stuit de inhoud ervan hem te zeer tegen de borst. “Neem nu dat bijbelse gezegde Wie zonder zonden is werpe de eerste steen. Wat een smeerlapperij! En wij maar geloven dat degene die dat gezegd heeft de zoon van God is! Zo praat je de mensen een schuldcomplex aan. Laten we toch eens ophouden met dat eeuwige zondebesef! Ik ben ervan overtuigd dat er mensen zònder zonden bestaan.” Die schuldeloze mens is dan zeker niet Herbert Achternbusch zelf: alleen al zijn geboortedatum (23 november 1938) vervult hem met schaamte. Moet hìj zich verantwoordelijk voelen voor de teleurstellingen in het leven van zijn moeder? Natuurlijk niet - maar hij doet het wel.

Door het open raam waait klokgelui naarbinnen, en binnen zit een man die liever in oosterse sferen vertoeft. In exotische sferen althans. Indianen en aboriginals bevolken zijn schilderijen, Egyptenaren en Assyriërs spelen de hoofdrollen in zijn nieuwe toneelstukken.

“De aboriginals ”, vertelt hij enthousiast, “leefden uiterst bescheiden. Ze sliepen naakt, op een harde lemen vloer. Ze werkten niet langer dan nodig was, twee uur per dag ofzo, en eenmaal thuisgekomen zongen ze met elkaar. Ze gedroegen zich als mensen - wat je van de Fransen en de Duitsers niet kunt zeggen. Het afschuwelijkste dat er bestaat is dat je de ander niet meer als mens ziet. Bij de zogenaamde primitieve volkeren bestond dat verschijnsel nog niet.”

Als Herbert Achternbusch voelt dat alweer een nieuwe depressie zich aandient, dan fleurt hij zichzelf op met gepeins over die primitieven. “Zij hebben een sterke geest. Wat er in hun kop omgaat is voor hen het belangrijkst. Voor ons daarentegen is de geest een randverschijnsel. Maar sorry, mijn hersens zijn nu niet afgestemd op ingewikkelde gesprekken.” Snel schakelt hij op een ander onderwerp over: “Ik heb vandaag een Japanse vis gekocht, spierwit, met grote schubben.”

Chimpansee

Achternbusch vertelt graag over dieren, hij schrijft er dikwijls over en schildert ze ook heel vaak. Waarom? “Omdat”, klinkt het resoluut, “dieren medebewoners zijn van deze aarde.” Veel van zijn personages veranderen in beesten, in schapen en kikkers en honden. “Maar niet in apen, want die zijn mij te heftig. Als mijn jongste dochter en ik in de dierentuin voor het chimpansee-hok staan zegt zij: Affe traurig! Affe allein! De orang-oetang noemt zij unten unten. Je moet er maar op komen! En als ze moe is zegt ze: Ich bin tod. Maar toen ik op een dag wilde sterven zei ze heel rustig: Du bist müde. Van de echte dood wil zij nog niets weten, goddank.”

Is hij niet bang voor haar toekomst? Dat zij een kapotte wereld erft? Zijn werk lijkt steeds apocalyptischer te worden. De vader denkt lang na. “Ik heb de goede hoop dat de mens uiteindelijk terugkeert naar de natuur. Dat er een generatie komt die alles wat wij doen zwakzinnig vindt. Die al dat elektronische speelgoed naar de schroothoop verwijst.” Voorzichtig zet hij een voddige pop op een andere stoel. Die pop is van zijn moeder geweest. Aan een muur hangen foto's van de moeder, ingelijst in bonkig hout. Ook de tafel is van dik hout, en de dikhouten vloer heeft een patroon van rode strepen, monter en klodderig, aangebracht door Herbert Achternbusch zelf. Hij loopt over de strepen en blijft staan voor een naargeestig zelfportret: gelige holle ogen in een vertwijfeld gelaat. “Een krachtige streek had ik hier, vindt u niet?” Dat blauwe doek daarginds, wijs ik, vind ik mooier, dat lijkt wat op Picasso en is tenminste niet deprimerend.

“O nee? Ik weet dat nog niet zo net. Kijkt u eens goed: een ijsbeer baart een ree. En daar staat een wetenschapper met een instrument, hij is iets aan het meten. De inboorling is dood, het kind is dood. Het schilderij heet: 'Het ree en de ijsbeer'. Het deed me pijn toen ik het maakte en het doet me nog steeds pijn als ik het zie.” Desondanks laat hij het voorlopig hangen. “Ik moet een tijdje met mijn schilderijen leven om te accepteren wat uit mijn fantasie tevoorschijn gekomen is.”

Niet dat hij zijn schilderijen nìet graag verkoopt. “Maar dat gaat niet zo snel, ik doe het immers zonder de bemiddeling van een galeriehouder. Zijn boeken, klaagt hij, verkopen nòg slechter. “Van Hundstage zijn in heel het Duitse taalgebied maar duizend exemplaren verkocht!”

De stemming zakt in. In veel recente titels van hem, somber ik mee, zit het woordje letzte. Twee jaar geleden het drama Der letzte Gast en dan nu Der letzte Schliff. Alsof de schrijver afscheid van het leven aan het nemen is. Herbert Achternbusch lacht weer. “Wanneer ik mezelf voorhoud: 'dit is het laatste stuk dat ik schrijf, dit is het laatste boek dat ik maak', dan lucht mij dat domweg op. Het vooruitzicht van het nakende einde houdt mij in leven. Een journalist vroeg me eens of ik bang was voor de dood. En ik antwoordde hem: 'Ik ben eerder bang dat de dood mij vergeet.' ”

Plotseling lijkt hij te beseffen dat hij tegen de afspraak in toch een interview aan het geven is. Nu begint hìj vragen te stellen, over Holland vooral. Hij is trots op zijn voorouders uit Edam. Zoals hij ook trots is op de Spaanse zigeunerin die een van zijn overgrootmoeders was. “Dat huwelijk met die zigeunerin was hèt schandaal in mijn familie. Daarbij was zij een flinke vrouw die vier kinders heeft grootgebracht. Het is maar verre familie, en toch heb ik deze mensen nodig om mezelf staande te houden. Om te weten: kijk, die zigeunerin was anders, maar ze heeft het gered.”