Het Oost-Indisch kampsyndroom voor Japan; Deernis en barmhartigheid

Voor de Japanse vertaling van zijn boek 'Het Oost-Indisch kampsyndroom' schreef Rudy Kousbroek een voorwoord, speciaal voor de Japanse lezer. “Japanners denken uniek en onbegrijpelijk te zijn, en het komt niet bij hen op dat buitenlanders dit als naïef zouden kunnen zien.”

Een van de dingen waar mijn boek zich mee bezighoudt is de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de manier waarop die door de verschillende partijen die erbij betrokken waren werd ervaren: dus niet alleen door de Nederlanders (daar zijn honderden boeken over) maar ook door Indonesiërs en Japanners.

Ik ga er nu maar van uit dat de Japanse lezer weet waar ik het over heb. Hier in Nederland denken de meeste mensen dat iedereen in Japan ook nu nog weet dat het Keizerrijk het toenmalige Nederlands-Indië had veroverd en de daar aanwezige Nederlanders heeft opgesloten in concentratiekampen. De waarheid is vermoedelijk dat in Japan de meeste herinneringen daaraan al of niet opzettelijk zijn uitgewist, en dat in het weinige dat is blijven hangen de rol van Japan veel gunstiger wordt voorgesteld dan zij in werkelijkheid was. Dat beeld is grotendeels onder de druk van Oud-strijders en rechts-nostalgische groeperingen ontstaan.

In Nederland geldt in zekere zin het omgekeerde: velen geloven dat de Japanners zich jegens de Nederlanders in de veroverde kolonie veel beestachtiger hebben gedragen dan in feite het geval is geweest. Ook in Nederland hebben soortgelijke groeperingen voor een belangrijk deel aan de vorming van dit beeld bijgedragen.

De essays in dit boek werden geschreven met de opzet, of de hoop, zich te kunnen verzoenen met hoe de dingen werkelijk gebeurd zijn, in plaats van vast te houden aan een mythisch verleden, vertekend door rancune. De Japanse lezer moet zich er van bewust zijn dat dit boek wat dat betreft voor Nederlandse lezers werd geschreven, en zelfs meer speciaal voor Nederlanders uit Indië. De mythes waarmee de Japanners deze episode van hun kant bedekt hebben blijven voor het grootste deel buiten beschouwing; van evenwicht kan hier dus geen sprake zijn.

Het geldt natuurlijk voor iedere oorlog dat de deelnemers elkaar voor monsters en barbaren uitmaken, maar wat in dit geval het beeld aanzienlijk gecompliceerder maakt is de koloniale situatie en de daaraan verbonden rassenvooroordelen. De Japanse aanval op Nederlands-Indië werd niet alleen maar gezien als een militaire agressie, maar ook als een soort overtreding: het was voor een Aziatisch land ongepast om een Westers land aan te vallen, en dan niet tenminste de beleefdheid te hebben om te verliezen.

Er is in onze tijd een soort cultus, een verheerlijking van het slachtofferschap ontstaan, die ook in Japan tot hoogst zonderlinge vormen van zelfbedrog heeft geleid; maar het is op zichzelf niet abnormaal dat de aangevallenen in een oorlog zichzelf als slachtoffer zien; dat geldt bijvoorbeeld voor Nederland zelf, bij de inval van de Duitsers. Maar met Nederlands-Indië lag het moeilijker: het gangbare zwart-wit beeld was hier vertekend door de koloniale verhoudingen. Je had, net als in andere oorlogen, aanvallers en aangevallenen, maar er bestond hier ook nog een derde categorie: de oorspronkelijke bewoners van het land, de Indonesiërs, die niet als de aangevallenen werden beschouwd - niet door de Japanners, niet door zichzelf, en goedbeschouwd ook niet door de Nederlanders. De aangevallenen waren de Nederlanders, maar die waren niet in hun eigen land, ze waren zelf ook weer indringers in het land waar de oorlog om ging, hun aanwezigheid berustte zelf ook op militaire overheersing. Dat alles maakte de voorstelling van de eigen (Nederlandse) slachtofferstatus er niet eenvoudiger op. Allerlei naoorlogse ontwikkelingen kunnen dan ook gezien worden als een worsteling om vast te houden aan een eenduidig slachtofferschap, bij voorkeur in de gedaante van de vermoorde onschuld.

In die situatie staan er twee middelen ter beschikking: overdrijving en ontkenning - overdrijven wat men zelf heeft moeten doorstaan, en ontkennen of vergoelijken van wat men anderen heeft aangedaan.

Beide strategieën zijn ook inderdaad intensief beoefend. Een van de opgaven in dit boek was het achterhalen daarvan, en tegelijk was het een pleidooi om bij het beoordelen van de gedragingen der Japanners geen andere maatstaven aan te leggen dan wij gebruiken voor onszelf.

Vooral dat laatste heeft gezorgd voor scherpe conflicten met sommige Nederlanders uit Indië. Op dezelfde manier beoordeeld worden als een Japanner zagen zij vermoedelijk op zichzelf al als beledigend en wat zij er in elk geval in herkenden was dat er op een neutrale, of althans niet systematisch negatieve manier over de Japanners, de Japanse cultuur en de Japanse keizer werd gesproken; dat was verraad, heulen met de vijand, bevuilen van eigen nest. Het enige door hen getolereerde beeld was het beeld dat gangbaar was tijdens de oorlog: Japanners zijn slecht. Kwaad, sluw, wreed, door en door slecht, van nature slecht: alles wat zij doen is slecht; zelfs als het iets goeds is is het nog slecht omdat het in dienst staat van het slechte.

Het optreden van zulke primitieve denkbeelden in oorlogspropaganda is desnoods nog te begrijpen, maar er is iets ernstig mis als een dergelijke voorstelling een halve eeuw later nog gangbaar is. Het heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat het voor Japanners zinloos en vruchteloos is om voor wat er tijdens de oorlog gebeurd is excuses aan te bieden. Het opmerkelijke is dat zulke spijtbetuigingen wel steeds weer opnieuw op hoge toon worden verlangd, maar als de Japanners ze dan aanbieden (en dat hebben ze een aantal malen gedaan) worden ze niet aanvaard, 'ze zijn immers geveinsd'. In 1991 werd door de toenmalige Japanse premier Kaifu bij zo'n gelegenheid een krans geplaatst bij een monument gewijd aan de Nederlands-Indische oorlogsslachtoffers. Het vergeefse van zulke initiatieven moge blijken uit het feit dat ook in gewone neutrale Nederlandse kranten het plaatsen van die krans 'een weergaloos hypocriet gebaar' werd genoemd. De krans werd verwijderd en in het water gegooid.

Het specifieke van deze manier van denken is dat geen Japanner ooit iets kan zeggen, doen of nalaten dat niet als onoprecht van de hand zou worden gewezen. Zoals de woordvoerder van een stichting voor Nederlands-Indische oorlogsslachtoffers het uitdrukte: “Je moet de Jappen kennen om te weten wat er achter hun glimlach zit die er zo vriendelijk uitziet.”

Het wonderlijkste is dat ook de Nederlandse regering op dat tijdstip de Indische Nederlanders blijkbaar nog steeds vanzelfsprekend als de gekrenkte partij beschouwde. De toenmalige Nederlandse premier Lubbers legde een verklaring af waarin hij zijn spijt betuigde: 'Lubbers betreurt leed bezoek Kaifu', zoals het in de kranten werd beschreven; daarmee werd niet het leed bedoeld dat premier Kaifu zou kunnen hebben ervaren door de ondergane belediging: nee, het ging om het leed dat de Indische gemeenschap had moeten doorstaan doordat een Japanner een krans bij het Indische monument had gelegd.

Er bestaat in de hele wereld nog steeds ressentiment jegens Japan, maar een zo blinde rancune komt bij mijn weten alleen in Nederland voor; er was in Nederland ook niemand die deze gang van zaken ongepast vond, niemand die ertegen heeft geprotesteerd. Sterker nog, we zijn nu zes jaar later, en terwijl ik dit schrijf (op 15 Augustus 1997) mocht de Japanse kardinaal Shirayanagi, aartsbisschop van Tokyo, niet aanwezig zijn bij de herdenking van de Japanse capitulatie in Den Haag, omdat - ik citeer letterlijk - 'gevreesd werd dat de aanwezigheid van een Japanner te veel emoties bij de slachtoffers zou oproepen.'

Ik citeer dit ook omdat het zo'n goed voorbeeld is van iets dat men zou kunnen omschrijven als het gevoel van onder elkaar te zijn en geen rekenschap naar buiten af te hoeven leggen van zijn opvattingen - iets waarvan vaak gedacht wordt dat het typisch Japans is. Maar het bestaat ook in Nederland, zoals hier in de Indische gemeenschap, waarin de mensen op precies dezelfde manier hun vooroordelen koesteren en afschermen van de buitenwereld, en het gevoel hebben aan die buitenwereld geen uitleg verschuldigd te zijn: “Ze hoeven het niet te weten, het gaat ze niet aan, ze begrijpen ons toch niet.”

Ik had het over de dingen waar ik zo vaak bij gedacht heb: wat zouden Japanners hier nu van vinden? Welnu, dit is er een van: het inzicht dat er verband bestaat tussen dat gevoel van: 'ze begrijpen ons toch niet' en het koesteren van schandelijke opinies. Daarmee bedoel ik opinies waarvan men zich bewust is dat ze een confrontatie met de kritische buitenwereld niet kunnen doorstaan, dat ze beschamend zijn, maar die beaamd worden binnen de groep, een groep die bijeengehouden wordt door de stelling: 'buitenstaanders kunnen ons niet begrijpen'. Die Indische Oud-strijders zijn een voorbeeld en in mijn boek heb ik laten zien wat het is dat zij koesteren en wat 'de buitenwereld niet begrijpen kan': de raciale verhoudingen in de voormalige kolonie.

Wat ik nu hoop is dat de Japanse lezer ziet aankomen waar ik naar toe wil. Niet begrepen worden is een cultus in Japan, iets dat de indruk maakt van iets tamelijk onschuldigs. Japanners denken uniek en onbegrijpelijk te zijn, en het komt niet bij hen op dat buitenlanders met een beetje Japan-ervaring dit als naïef zouden kunnen zien en een tikkeltje belachelijk. Het is een soort adolescente droom: alle primitieve culturen denken dat ze uniek en superieur zijn en dat vreemdelingen niet in staat zijn hen te begrijpen.

Maar voor wie de oorlog heeft meegemaakt zijn de associaties ermee luguber. Een van de dingen die de Japanners tijdens de Pacific-Oorlog tot absurde maatregelen en wreedheden heeft aangezet was nu juist het willen afdwingen van de erkenning uniek en superieur te zijn. Het is de grote verdienste van Agnes Keith, de schrijfster van Three Came Home, te hebben ingezien dat dat de sleutel was tot het vreemde patroon van straffen, die manie om in allerlei onbetekenende handelingen diepe beledigingen aan het adres van Japan, het leger, de Keizer, etc. te zien, dat het gedrag der Japanse bezetters kenmerkte. Er is nog een ander uit de oorlog daterend boek dat briljante voorbeelden van dezelfde analyse bevat, en dat is In deze halve gevangenis, het oorlogsdagboek van Leo Jansen, een hoge ambtenaar in het Nederlands-Indische Gouvernement, die al voor de oorlog Japans had geleerd.

Over beide boeken heb ik uitvoerig geschreven; wat zou ik graag willen dat het dagboek van Jansen in het Japans vertaald werd. Wat beide schrijvers kenmerkt is het ontbreken van die blinde haat tegen Japan die ik hierboven heb beschreven, geworteld in racisme en een totale, op onwil berustende onwetendheid. Het is zaak om hier duidelijk te maken dat ikzelf, ondanks het feit dat ik tijdens de Japanse bezetting ellendige dingen heb meegemaakt, die haat ook niet voel. Er komt bij dat ik, zoals meer jongens van mijn leeftijd (toen de Japanners Nederlands-Indië veroverden was ik 12 jaar), ook zij het in het geheim en met tegenzin, bewondering koesterde voor het land dat de torenhoge pretenties van de koloniale regering in een paar dagen verpulverde. Het contact met individuele Japanners stelde teleur maar ik besefte terdege dat ergens het land moest liggen waar die superieure vliegtuigen en militaire technologie vandaan kwamen, en ook dat de propaganda ons daarover moest hebben voorgelogen.

Ook wat ik later over dat land te weten kwam klopte niet met die propaganda - een bijkomend voordeel is dat je daarna nooit meer in propaganda gelooft en er al van verre de toon en de manier van redeneren van herkent. Japanse lezer: vergis ik mij? Zijn Japanners doof hiervoor? Er is een universele neiging om het nationale verleden mooier of tenminste dragelijker te maken, zodat je je er niet voor schaamt, maar dit doel kan alleen met leugens worden bereikt.

Liever leugens dan schaamte, dat geldt niet alleen voor Japan, het is ook bij ons van toepassing. Er is in Nederland ook nu nog een hele academische traditie (de 'Leidse school') om ons koloniale verleden gunstig voor te stellen en de zwarte bladzijden ervan te verzwijgen of te vergoelijken. Ook het omgekeerde bestaat, maar dat is meestal net zo onwaarachtig; de inspiratie ervan is vaak marxistisch - een probleem dat precies zo in Japan bestaat.

Het is waar dat de meeste mensen die die tijd hebben meegemaakt nu op het kerkhof liggen; je zou met Alphonse Allais kunnen zeggen et le combat cessa, faute de combattants, maar er komt een ander probleem voor in de plaats dat misschien nog gruwelijker is: “Steeds meer mensen (om uit mijn eigen boek te citeren) krijgen hun historisch besef via media als de film en de televisie, die zich steeds meer vrijheden veroorloven met de waarheid, en die het onderscheid tussen feiten en fictie steeds meer verdoezelen; werkelijke gebeurtenissen worden veranderd weergegeven om dramatisch effect te sorteren of met oogmerken van political correctness.”

De Nederlandse titel van dit boek (Het Oost-Indisch kampsyndroom) is onvertaalbaar, het is een woordspeling waarvan het uitleggen vermoedelijk alleen maar nog verdere misverstanden in het leven zou roepen. Er bestaat een Franse film over de oorlog met de titel Le chagrin et la pitié, in het Japans moet dat iets zijn als: Urei to awaremi. Dat komt dichter bij de inhoud.

(1) Niet het hele boek, ongeveer de helft (zonder de polemieken over Bezonken Rood); verschijnt nog dit jaar bij Uitgeverij Soshisha (Denkend Riet), Tokyo. Vert. Noriko de Vroomen-Kondo.