Het Nederlandse rariteitenkabinet

Rob van Ginkel: Notities over Nederlanders. Antropologische reflecties. Boom. 271 blz. ƒ 42,50

Mondialisering, globalisering, wegvallende munten en grenzen: al enige jaren is de tijd rijp voor een bezinning op het eigene van Nederland en de Nederlanders. In krant en boek gebeurt dat dan ook volop. De ene publicist pleit voor een nationaal reveil, terwijl de ander zich verbaast over ons negatieve zelfbeeld (al zit daar, zo concludeert hij, waarschijnlijk ook verholen superioriteitsgevoel achter). En in 1995 ontspon zich in deze krant een discussie over de Nederlandse identiteit. Dat debat kreeg een vervolg in vorig jaar verschenen boeken als Het nut van Nederland. Opstellen over soevereiniteit en identiteit en Weg van Nederland. Daarin kregen verschillende auteurs de gelegenheid zich over die identiteit uit te spreken. Rob van Ginkel schreef zijn antropologische studie alleen; bij hem dus geen versplintering.

Notities over Nederlanders is geen vlotte lectuur. Het boek telt zes opstellen. Ze hebben alle een wetenschappelijk verleden, bijvoorbeeld als vakbladartikel, en de sporen van die wetenschappelijkheid zijn niet verdwenen. In weerwil van de belofte in de inleiding staat het boek vol vakjargon. Elk stuk kent van die keurige na- of eigenlijk voorvertellende inleidingen, en de literatuurverwijzingen zijn talrijk. Die gaan vooraf aan een zeer uitgebreide bibliografie van antropologische literatuur en aan een uitgebreid notenapparaat. Een studieus werk kortom, in een soms hoogdravende, soms zelfs zwoegende stijl. Dat wil echter niet zeggen dat de beantwoording van de eerstgenoemde vraag niet net zo legitiem zou zijn als het vinden van een antwoord op de laatstgenoemde. Voor de vakgenoot is het ongetwijfeld interessant te lezen dat 'Bob Scholte (1986: 77-78) op het gevaar [wees] van reductionisme en determinisme, simplificatie, karikaturisering en stereotypering', maar de gemiddelde lezer wordt er niet vrolijk van. Netzomin als van de wetenschap dat Ton Zwaan het concept 'nationaal karakter' als onbruikbaar in het sociaal-wetenschappelijk begrippenapparaat beschouwt, en een nadeel van het woord 'karakter' vindt dat het kan leiden tot personificatie, determinisme (alweer!) en toestandsreductie. Politiek correcte gedrochten als 'onderneemsters' en 'andervrouws' zorgen voor verdere ontsiering van de tekst.

Voor wie zich niet laat afschrikken, valt er nog genoeg te genieten. Bijvoorbeeld als Van Ginkel verhaalt over het reisverslag als bron om kennis over landen en inwoners te verkrijgen. De waarde van die geschriften is betrekkelijk, maar duidelijk is tegelijk dat je ze als bron niet kunt negeren. In die reisverslagen werd de zindelijkheid van de Nederlanders vaak genoemd en geprezen, maar in de loop van de achttiende eeuw begonnen buitenlanders deze eigenschap te ridiculiseren. Als toppunt van properheid gold wel Broek in Waterland. Een Portugese journalist schreef er mooi over: 'De nationale deugd der properheid wordt hier tot een etnologische epidemie. De mensen daar zijn van de boenduivel bezeten. Het zijn de epileptici van de bezem, zij lijden aan een schoonmaakwoede die aan het delirium grenst.' Anderzijds constateerden buitenlandse bezoekers dat de Nederlanders weliswaar hun huis en stoep goed schoon hielden, maar dat ze het met de persoonlijke hygiëne minder nauw namen. De reizigers ergerden zich aan de ongewassen Hollandse lijven en de slecht onderhouden gebitten. Ook de smerige tafelgewoonten, het voortdurende roken, en het in het openbaar urineren, wekten hun afschuw. Van Ginkel constateert dat tegenwoordig onze opvatting over persoonlijke reinheid stringenter is geworden, terwijl die over de huiselijke omgeving daarentegen is geëvolueerd van 'lekker schoon' naar 'schoon genoeg'.

De auteur besteedt ruim aandacht aan de bevindingen van de Amerikaanse antropologe Ruth Benedict, die in 1944 in zeer korte tijd voor een Amerikaanse inlichtingendienst een studie over de Nederlanders schreef. Voornaamste doel was mogelijke wrijvingen tussen Amerikaanse soldaten en Nederlandse burgers te voorkomen na beëindiging van de oorlog. De belangrijkste antropologische techniek, die van het veldwerk, kon Benedict gezien de omstandigheden niet hanteren. Ze moest dus haar toevlucht nemen tot het bestuderen van bestaande publicaties en tot het voeren van gesprekken met naar Amerika geëmigreerde Nederlanders. Niettemin vormde zij zich een beeld van 'de typische Nederlander', dat door Van Ginkel in nog een heleboel karakteriseringen wordt samengevat. Enkele daarvan zijn: moraliserend, individualistisch, trots, ironisch, puriteins, zindelijk, voorzichtig, spaarzaam, huiselijk, ernstig, en zich sterk bewust van rang en stand. In dit rijtje baren thans vooral de zedelijkheid en de zindelijkheid en het gevoel voor rangen en standen opzien. Wie nu de plasseksposters boven de hondendrollen en onze premier in vrijetijdskloffie tussen onze Tourrenners ziet, beseft hoe groot de maatschappelijke omslag is die de jaren zestig teweegbrachten. Hans Righart kon wel eens gelijk hebben gehad toen hij in zijn studie naar deze jaren stelde dat die omslag groter was dan die tengevolge van de Tweede Wereldoorlog.

Over de waarde van Benedicts studie kan men twisten, maar het staat vast dat zij behoort tot het zeer weinige dat buitenlandse antropologen over Nederland hebben geschreven. Maar niet alleen daarom schrijft Van Ginkel er zo uitgebreid over. Hij doet dat ook, omdat hij het was die de tekst uiteindelijk opspoorde in een Amerikaans archief. Het verslag van die speurtocht is boeiend.

Gedwongen door de omstandigheden, ontkomt ook de antropologie er niet aan haar maatschappelijke nut te bewijzen en zodoende de grenzen van haar vakgebied op te rekken. Bijvoorbeeld door aan 'organisatie-antropologie' te gaan doen: het bestuderen van (de cultuur van) organisaties. Door die maatschappelijke gerichtheid - met het beleidsadvies als hoogste goed - is de aandacht, die bij de culturele antropologie al verschoven was van vreemde, verre volken naar de eigen samenleving, gericht geraakt op de hedendaagse randgroeperingen. Dieven, junks, dealers, prostituées, alcoholisten: de 'rafelrand' van de stedelijke samenleving is het nieuwe onderzoeksterrein geworden. Terecht wijst Van Ginkel op het gevaar van vertekening van de werkelijkheid door deze eenzijdige belangstelling. Het Nederlandse rariteitenkabinet heeft genoeg aandacht gekregen, nu is het hoog tijd voor bestudering van 'de gewone Nederlander'.

    • Tim Duyff