Grillig, functioneel en soms utopisch

Titus M. Eliëns, Marjan Groot en Frans Leidelmeijer (red.): Kunstnijverheid in Nederland 1880-1940. Fotografie: Erik Hesmerg. V+K Publishing. 256 blz. ƒ 125,-

De Nederlandse Art Nouveau of Nieuwe Kunst begon in 1892. In dat jaar werden, ter gelegenheid van de Internationale Tentoonstelling voor Boekhandel en Aanverwante Vakken, drie sierkunstenaars uitgenodigd een ontwerp voor een boekhandelsdiploma te bedenken. De uitkomst was verrassend. Niet alleen kozen de drie kunstenaars (Lion Cachet, Nieuwenhuis en Dijsselhof) voor de houtsnedetechniek, die in ons land nauwelijks meer bekend was, maar ook was hun uitwerking met vlakke en sterk gestileerde aan de natuur ontleende motieven geheel nieuw. Het boek Kunstnijverheid in Nederland 1880-1940 maakt duidelijk dat deze drie documenten het definitieve einde inluidden van het negentiende-eeuwse historisme. Interieurs en sierobjecten met klakkeloos toegepaste en vaak verkeerd begrepen ontleningen aan gotiek, renaissance en lodewijkstijlen waren voortaan in avant-garde kringen taboe. In de plaats van dat historisme kwamen wel andere invloeden, overgenomen uit de niet-westerse wereld: Egypte, het toenmalige Nederlands-Indië, de landen van de islam en vooral Japan. Gebatikte textiel, aardewerk met moorse decoraties en meubilair met reliëfs van vogels en vissen, gemaakt omstreeks 1900, zijn voorbeelden van de nieuwe inspiratiebronnen. Toch bleef bij de meeste Nederlandse ontwerpers de eenheid in vorm en decoratie bewaard, werd het toegepaste materiaal geen geweld aangedaan en overwoekerden versieringen nooit de structuur van de voorwerpen. Door die terughoudendheid bestaat er in ons land geen al te diepe kloof tussen de Nieuwe Kunst en het functionalisme van de jaren twintig en dertig.

Helemaal naadloos verliep deze overgang niet. Want omstreeks 1910 verschijnt plotseling in architectuur en kunstnijverheid het bizarre expressionisme van de Amsterdamse School. De meest kenmerkende representant van deze stroming is Michel de Klerk. Deze jonggestorven Amsterdammer trekt zich niets aan van het Berlagiaanse rationalisme, van het primaat van een herkenbare constructie en een ondergeschikte decoratie. Bij De Klerks meubels overheersen grillige lijnen en een hoogst eigenzinnige plasticiteit, karakteristieken die zouden aansluiten bij het expressionisme in de Europese schilderkunst. Die bewering doet onrecht aan het volstrekt oorspronkelijke en onverwachte van De Klerk en zijn medestanders. In Duitsland, waar het expressionisme in de beeldende kunst meer dan elders woedde, is van zo'n bezeten stijl in de toegepaste kunst zelfs geen sprake.

Het Amsterdamse expressionisme breidde zich uit tot alle deelterreinen van de kunstnijverheid: hevig gekleurde tapijten van Jaap Gidding, een Eisenloeffel-klok die bezwijkt onder gebronsd koperen tierelantijnen en De Klerks smeedijzeren lamp met levensgevaarlijke uitsteeksels.

Ruim tien jaar later is dit curieuze intermezzo voorbij. Het rechtlijnige functionalisme van industrieel uitziende glasserviezen en van praktische, verchroomd metalen stoelen heeft de overhand gekregen. Maar er blijven uitzonderingen, en aan de ontwerpers die minder rigoureuze principes hanteerden, besteden de auteurs van Kunstnijverheid in Nederland iets te weinig aandacht. Naast de rechtzinnige Oud, Mart Stam, Jan Wils en Rietveld waren er ketters als architect-vormgever Sybold van Ravesteyn, een afvallige van De Stijl. Evenals Rietveld en Wouda bouwde hij zijn eigen woonhuis (1933), maar het elegante pand en meubilair zijn bij hem juist een manifest tegen het in zijn ogen vreugdeloze modernisme.

Dit overzichtswerk, waarin de typografie niet wordt behandeld, is grondig gedocumenteerd. Merkwaardig is overigens dat bijvoorbeeld Berlage niet met zijn eigen publicaties in de bibliografie voorkomt, maar uitsluitend via het werk van anderen. De vele voetnoten zijn keurig onderaan de tekst gezet. Het boek is rijk geïllustreerd. De objecten doemen steeds op uit een dramatisch zwarte achtergrond. Dat schept een merkwaardig contrast met hun vaak haveloze toestand. Zelden werden de butsen en kale plekken aan Rietvelds Berlijnse stoel zo eerbiedig in kaart gebracht.

In hun hoofdstukken over achtereenvolgens de beginperiode van 1880 tot 1910, de Amsterdamse School, de Art Deco en tot slot het Nieuwe Wonen, vermelden de drie auteurs de naïeve filosofie van al deze goedwillende ontwerpers-kunstenaars. Zij meenden dat hun interieurs bijdroegen aan een nieuwe, harmonieuze samenleving. De consumenten moesten luxueuze overdaad verwerpen, de schoonheid van een zuivere functionaliteit erkennen en op die manier betere mensen worden. De laatste zinnen zijn voor Gerrit Rietveld. In nogal gezwollen proza schreef hij over een wereldstijl die ieder verstaat en die machtig was door een algemene bevrijding. 'De stijl van het hebben maar niet van het zijn'. Een utopische gedachte uit 1937.