Gesprek met schrijfster Sylvia Waugh over de spiritualiteit van lappenpoppen; Ik leef langzamer dan andere mensen

Ze doen net-alsof ze een herstellende zieke zijn, net-alsof ze steun zoeken bij hun pijp, net-alsof ze gezellig een cake bakken. De Mennyms zijn niet echt en toch ook wel: ze zijn levende, levensgrote lappenpoppen. Ze wonen in Engeland en ze zijn verzonnen door de schrijfster Sylvia Waugh, die vorige week 'de Zilveren Zoen' voor het eerste deel van de serie ontving.

Sylvia Waugh: De Mennyms; De Mennyms in de wildernis; De Mennyms belegerd. Uitg. Gottmer, Jenny de Jonge-boek. Vert. deel 1 Johan Hos; deel 2&3 Helen Reid. Prijs ƒ 29,90 per deel.

Ze zou, dacht ik, een soort tante Kate zijn. Want tante Kate heeft ze allemaal gemaakt, de Mennym-grootouders, de Mennym-ouders, de Mennym-kinderen en de 'nanny' juffrouw Quigley. De Mennyms zijn levensgrote, intelligente, levende lappenpoppen. Ze zijn ontworpen en uitgevoerd door Kate Penshaw, oftewel tante Kate. Ze zijn ook ontworpen en uitgevoerd door de schrijfster die ze heeft verzonnen: Sylvia Waugh. Tante Sylvia en tante Kate, die zijn eigenlijk één, en samen zijn ze god in de wereld van de Mennyms. De god-van-de-lappenpoppen logeert in een Amsterdams hotel, waar ze een beetje zenuwachtig in een stijve stoel zit terwijl iemand met een stofzuiger door de lounge lawaait. Lijkt ze op tante Kate? 'Een volkomen echte, stevige, oudere dame' weet de lezer, met 'weerbarstig, grijs, kort geknipt haar'. Sylvia Waugh is echt, ouder (62), ze heeft grijsblonde krullen en ze kijkt de wereld aan met een mengeling van weerloosheid en zelfverzekerdheid.

“Now, what did you want to ask me?” vraagt ze schuldbewust als ze ineens het gevoel heeft dat ze al te lang over haar reis per trein door de kanaaltunnel heeft zitten praten. “Hoe het allemaal begonnen is,” zeg ik.

“Nadat ik jarenlang Engels had gegeven op een middelbare school wilde ik echt gaan schrijven, professioneel, niet als een hobby. Een vriendin had tegen me gezegd: 'Je kunt een heel goed kinderboek schrijven. En dat zul je ook doen.' Ik kocht notitieboekjes met harde kaft, van Woolworth, want die zijn 't beste, en ik ging aan mijn tafel zitten. Maar waarover zou ik schrijven? Ik keek uit het raam naar een veldje met populieren die hun lange dunne schaduwen over het gras wierpen. Wat zijn we toch maar kleine mensen, dacht ik, altijd een beetje bang voor de buitenwereld - en toen verzon ik om een boek te gaan schrijven over letterlijk heel kleine mensen die in de schaduw van de populieren zouden leven en niet in het licht konden komen, want dan zouden ze moeten sterven. Dat boek is niet uitgegeven. Iemand zei: ze zijn te klein, die mensen van je, daar kunnen kinderen niet in geloven. Van de weeromstuit heb ik toen heel grote poppen verzonnen. Eens kijken of ze daar wel in konden geloven. Maar het thema bleef hetzelfde: de angst voor de wereld.”

De Mennyms zijn inderdaad bang voor de wereld en daar hebben ze alle reden toe. Levende lappenpoppen hebben van de mensen weinig goeds te verwachten. Stel je voor dat iemand ze ontdekte. De kermis, een kooi in de dierentuin, wetenschappelijke experimenten - wat er ook zou gebeuren, het zou niet plezierig zijn.

De buren

Het huis in Castledean waar ze wonen, (Brocklehurst Grove nummer 5 voor wie het precies wil weten), is een huis als alle andere. Een onopvallend huis in een klein rijtje aan een stil pleintje. De buren bemoeien zich er niet erg met elkaar, en de Mennyms, dat weet iedereen, zijn nogal op zichzelf. Ze ontvangen wel post. Ze hebben telefoon. Ze verdienen geld: met het schrijven van krantenartikelen (per post verstuurd), met exclusief en heel duur breiwerk voor Harrods, het 'tulipmennym'-merk (postpakjes), met een baantje als nachtwaker (muts, handschoen, opgeslagen kraag, gebogen hoofd bij het wisselen van de wacht). Ze doen boodschappen, liefst op de markt want daar let eigenlijk niemand zo precies op elkaar. Ze leiden, kortom een normaal leven, behalve dat ze geen vrienden hebben, niet ouder worden, niet hoeven eten of drinken want kapok heeft geen vitaminen nodig, en veel tijd moeten besteden aan vermomming en verhulling. In deel 1 van wat nu al een vijfdelige serie boeken is, leven de Mennyms al veertig jaar ongestoord in het huis dat ooit van tante Kate was. “Het was eigenlijk een ongewone, uit de hand gelopen hobby van een eenzame oude dame.” Tante Kate is dood en heeft per testament bepaald dat haar 'betalende gasten' niet het huis uit gezet mogen worden.

De Mennyms doen zoveel mogelijk alsof ze 'echt' zijn. Daarom zijn ze begenadigde simulanten, die het leven veraangenamen met 'doen-alsof'. Op een grijze middag doet Vinetta Mennym graag alsof ze voor de gezelligheid een cake bakt: ze weegt quasi ingrediënten, ze roert, ze zet de ovenklok, ze haalt met ovenhandschoenen aan de vorm weer uit de oven en wacht tot de cake is afgekoeld voor ze haar gezin verrast met een plakje. De oude heer Sir Magnus Mennym kan heel goed zijn keel schrapen “een van zijn meest geslaagde net-alsof acts”. Zijn zoon Joshua grijpt bij emotionerende toestanden graag naar zijn pijp waar hij behaaglijk aan lurkt. Net zo knapt hij soms enorm op van een kopje thee. Het gezin houdt ook graag een kerstdiner, met een feestelijk gedekte tafel en een kartonnen etalage-kalkoen. Ze doen alsof iemand ziek is. “En dan word ik langzamerhand iets beter, (-) en dan kan ik korte stukjes wandelen, goed ingepakt tegen de vrieskou.”

“Doen-alsof,” zegt Sylvia Waugh, “is heel belangrijk, in de eerste plaats voor het sociale leven. Doen-alsof je honger hebt, dat doen we in zekere zin toch zo vaak? We gaan zitten om een tafel met eten erop, niet omdat we honger hebben maar omdat we het gezellig vinden om samen te eten. Je gaat zelden bij elkaar zitten zonder tenminste een glas voor je, of een kopje thee. Niet omdat iedereen meteen dorstig wordt als ze iemand anders ontmoeten.

“Doen-alsof is ook een bescherming. Als je nooit doet-alsof doe je andere mensen pijn, en jezelf vaak ook. Doen-alsof houdt je stabiel: je doet alsof je gewoon met iets bezig bent en dan bèn je het ook in zekere zin, al ben je eigenlijk nog zo van slag. Voor de Mennyms is het soms een uiterste houvast: 'Als we niet doorgaan met te doen alsof, overleven we misschien wel niet', denkt iemand op een gegeven moment. Dat zou wel eens waar kunnen zijn.”

Wie veel in de wereld van de Mennyms vertoeft, wordt er zich maar al te bewust van, van alle dagelijkse doe-alsof spelletjes. Soms zijn het er zoveel dat je je af begint te vragen of 'echt' wel bestaat. Soms is 'echt' behoorlijk ver weg.

De grootste gemeenschappelijke doe-alsof in de Mennym-wereld speelt zich af rond jufrouw Quigley. Ze is een soort vriendin van moeder Mennym en ze komt af en toe op bezoek. Ze woont in Trevethick Street, in een klein huisje. Maar eigenlijk woont ze natuurlijk in hetzelfde huis als de Mennyms.

Gangkast

Het is ondenkbaar dat een lappenpop in haar eentje in de mensenwereld zou kunnen wonen. Juffrouw Quigley zit op een stoel in de gangkast, waar ze af en toe uit sluipt naar buiten en dan komt ze het tuinpad op en belt aan. “Wie zou dat kunnen zijn?” vraagt Vinetta Mennym dan verbaasd. Alsof er ooit iemand anders op bezoek komt. Ze toont zich blij verrast, ze serveert thee, juffrouw Quigley prijst de biscuitjes die al jaren en jaren dienst doen voor haar theevisites en aan het eind van de middag laat Vinetta haar uit en zegt dat ze gauw nog maar eens langs moet komen. Vervolgens sluipt juffrouw Quigley weer terug naar de kast waar ze blijft zitten tot haar volgende bezoek. Het wordt onder Mennyms uiterst beledigend en onbehoorlijk gevonden om te laten blijken dat men weet dat Juffrouw Quigley in de kast zit. Ook onder elkaar houdt men vol dat ze in Trevethick Street woont. Alleen de oudste zoon, door zijn maakster helaas van blauwe stof vervaardigde Soobie, houdt niet van net alsof. Die ergert zich aan al die onzin.

“Juffrouw Quigley is mij het dierbaarst van allemaal,” zegt Sylvia Waugh. “Omdat ze veertig jaar in die kast heeft gezeten. Als ze er uiteindelijk uitkomt om echt bij de Mennyms te gaan wonen bloeit ze op, en blijkt ze bovendien fantastisch te kunnen schilderen. Daar voel ik me mee verwant. Ik heb mijn hele leven lesgegeven, ben moeder geweest, en nu ben ik ineens uit de gangkast gekomen en ben ik schrijfster. Toen ik ging studeren zei ik eens tegen een medestudente: 'Ik leef langzamer dan andere mensen'. Dat blijkt nu.” De lappenpoppenwereld met zijn eigen regels is ook gruwelijk. Wie zou voor altijd een puber willen blijven, zoals de drie opgroeiende kinderen? Hoe moet een puber leven als de tijd stil gezet wordt?

“Voor de pubers is het het moelijkste,” knikt Waugh. “In die tijd ben je nog zo aan verandering onderhevig. Ik voel me nu niet heel anders dan toen ik dertig was, maar als je zestien bent wil je volwassen worden. Toch zijn ze naar hun gevoel niet al veertig jaar puber, althans niet in de volledige betekenis van veertig jaar. Appleby, de vijftienjarige, doet met elke mode mee. Als je haar in de jaren vijftig gezien zou hebben zou ze een petticoat gehad hebben en flatjes, in de jaren zestig droeg ze mouwloze jurkjes en een suikerspinkapsel. Ze heeft haar geheugen nauwelijks nodig want de mode van vorig jaar interesseert haar niets. Ze is in staat volledig in het heden te leven. Dat helpt haar, want soms realiseert ze zich ook wel dat ze voor eeuwig een lappenpop is.”

De Mennyms zijn niet onwetend over hun conditie. Ze weten dat ze van stof zijn. Ze kennen hun beperkingen. Ze zijn in de wereld, maar niet van de wereld. Dat is soms heel tragisch. Bijvoorbeeld de ene keer dat toch een echt mens, een jonge man, bevriend raakt met de Mennyms. Bij zijn eerste bezoek valt hij flauw van angst en afschuw als hij aan tafel zit met thee en sandwiches (“Het zijn echte”, zegt Vinetta aanmoedigend) en door negen paar kralen ogen uit negen stoffen gezichten wordt aangestaard. Maar hij went en wordt zelfs verliefd op Pilbeam, de mooie en verstandige zestienjarige. Zij ook op hem. Maar het kan niet zijn - wat is er voor toekomst voor een lappenpop en een mens?

“De verliefdheid tussen Pilbeam en Albert Pond,” zegt Waugh, “oh ik vond het heerlijk om dat te schrijven, als ze samen aan tafel zitten en poëzie lezen, je voelt de hoogspanning tussen hen. Het is voor Pilbeam heel tragisch, maar ze leert ermee te leven. De huidige generatie heeft zo sterk het gevoel dat ze rècht heeft op van alles, op kinderen, op rijkdom, op leuk werk, en ze bewegen hemel en aarde om dat ook te krijgen. Pilbeams lot is een manier om te zeggen dat je moet leven met wat je bent. Dat kan heel bevredigend zijn, ondanks het blijvende verdriet. Pilbeam begrijpt dat, daarin is ze heel volwassen. En het leven is de moeite waard: ze heeft liefgehad - 'It's better to have loved and lost than never to have loved at all' - en ze houdt heel veel van haar familie, vooral van haar zusje Appleby. Dat is een reden om te leven. Dat deel ik met haar. Ik heb bijvoorbeeld nu al, na twee dagen, veertien ansichten verstuurd naar dierbaren thuis.”

Naarmate er meer Mennym-delen verschijnen wordt steeds duidelijker dat hier niet alleen maar een vrolijke fantaste aan het werk is die kinderen leuk bezig wil houden, al wil ze dat zeker ook en al is die kant heel geslaagd en vrolijkstemmend, maar dat Waugh via deze omweg ook wel degelijk iets wil zeggen over de 'condition humaine'. De lappenpoppen hebben meer reden dan menig mens om zich af te vragen wie ze zijn, wat ze zijn, wat er met ze zal gebeuren, ooit.

Het lot

Ze worstelen soms met hun lot, zoals mensen dat ook nogal eens doen, maar wat pathetisch zou klinken als een mens het zou zeggen is heel aannemelijk als een lappenpop het zegt: “Het is eenzaam om een lappenpop te wezen.” “Ik vind het niet leuk om een lappenpop te zijn. Ik verafschuw het.” En een van hen bidt een keer in wanhoop: “Ik weet niet wie ik eigenlijk ben en wat ik eigenlijk ben. (-) Ik weet niet of ik in u geloof, en, wat erger is, misschien gelooft u wel niet in mij.”

Waugh: “De blauwe Mennym gaat bidden, omdat hij het niet meer weet. Als ik mensen op die manier zou kunnen aanmoedigen om dat te doen - het is misschien niet echt een antwoord, maar het is iets dat je kunt doen, in plaats van iets stoms of wanhopigs. Ik wil absoluut geen rigide christelijke kijk opdringen, integendeel. Soobie zegt niet, en dat zou ik zelf evenmin doen, dat hij een onwankelbaar geloof heeft. Mensen weten niet precies wat ze geloven, ik ook niet. Ik probeer niet meer al te stellige uitspraken te doen - mijn zekerheden worden steeds kleiner. Wel steeds sterker. Geloof is een kleine, dunne maar heel sterke draad. En het is persoonlijk, de kerk kan het nooit helemaal uitdrukken al heeft die er wel de taal voor. Ik zou nooit kunnen opschrijven: dit geloof ik. Dat zou trouwens ook niemand interesseren. Ik kan het alleen maar allegorisch. 'Mennyms' is voor mij een soort nieuwe taal, ik kan er dingen in zeggen die ik op een andere manier niet kan uitdrukken.”

Lappenpoppen lijken onsterfelijk, maar als de tienjarige dochter aan haar moeder vraagt: “Wat gebeurt er met ons?” krijgt ze het volgende antwoord: “'Ik denk dat we niet zo veel verschillen van de mensen daarbuiten. We zijn onderdeel van een of ander verbazend spel, en als het spel uit is zal God ons veilig thuisbrengen in zijn jaszak.' Het was een kinderlijk antwoord, maar niet kinderachtig. Het was een soort metafoor voor wat Vinetta echt geloofde.” En enige tijd later gebeurt het ondenkbare: de geheimzinnige levensgeest die hen bezielt, laat een van de stoffen schepsels in de steek. Dat gebeurt na een wel heel geheimzinnige episode: op de zolder is een deur die niet opengemaakt mag worden. Als de Mennym in kwestie dat toch doet druipt er een hemels, melkwit licht uit - dat haar levenloos achterlaat.

Is dat nog een rest van het verhaal van de schaduwmensen, die het licht niet konden verdragen? Is het een opvatting over 'de andere kant', dat dat de kant van het licht zou zijn, en dat wij, mensen, in het donker leven?

“Ik weet het niet,” zegt Sylvia Waugh vertwijfeld. “Soms schrijf je iets dat je zelf ook niet helemaal begrijpt en dat te maken heeft met de spirituele kant van het bestaan, een kant waar we naar verlangen en bang voor zijn tegelijkertijd. Blijkbaar is de wereld aan de andere kant te groot, te onbegrijpelijk. Grieken die tegenover een god kwamen te staan stierven ook, de goden zijn geweldig en verschrikkelijk. Zoals Amor en Psyche bijvoorbeeld, Psyche mocht Amor niet zien want dan was alles verloren. Zulke verhalen drukken iets heel dieps en waars uit, zonder dat je precies kunt zeggen wat.”