Ex-premier doorbreekt opmerkelijke stilte

DEN HAAG, 22 AUG. Hij mag dan net vorige maand voorzitter zijn geworden van de nieuwe Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), bestuursvoorzitter van het veiligheidsinstituut Clingendael zijn en als hoogleraar 'globalisering' colleges in Tilburg geven, maar toch is het intussen een beetje stil geworden rondom de 58-jarige Ruud Lubbers, die zich sinds zomer 1994 oud-politicus mag of moet noemen.

Het is een vreemde stilte rondom deze jonge minister van staat, wiens naam een kwart eeuw dagelijks door de media ging, die op zijn 23ste in Rotterdam cum laude afstudeerde, een jaar later al fabrieksdirecteur was en op grond van zijn imago als progressieve KVP'er op zijn 34ste minister van Economische Zaken werd in het kabinet-Den Uyl (1973-'77). Een man die ministerschappen op Ontwikkelingssamenwerking en Volkshuisvesting weigerde, in 1978 fractieleider van het CDA werd en, in '82, als 43-jarige minister-president. Wat hij twaalf jaar bleef, langer dan wie ook, zeven jaar regerend met 'rechts' (VVD), vijf jaar met 'links' (PvdA).

Over Lubbers zei de hooggeleerde KVP'er Duynstee ooit spottend dat hij met een gouden lepel in de mond geboren was. Hij was als formidabele en creatieve dossierkenner steeds bewonderd of gevreesd (“zal ik even met je meedenken?”) en gold als fractieleider en als premier vaak eerder als man van oplossingen dan van opvattingen, anderen vaak ver vooruit op weg naar het alternatieve compromis dat wél op een meerderheid mocht rekenen. Misschien was hij tot op zekere hoogte zelfs - voor zover zoiets van een CDA'er te zeggen valt - een 'paars' politicus avant la lettre.

Zó gezien is het niet vreemd dat hij ook een van de vaders is van het alom geprezen Nederlandse poldermodel, waarvoor hij - met de toenmalige FNV-voorzitter Kok en de werkgevers - in 1982 met het Akkoord van Wassenaar de basis legde. Een van de vaders is hij voorts, alweer met Kok aan zijn zijde, van het Verdrag van Maastricht (1991).

Lubbers is ook de man die, misschien wel enigszins zijns ondanks, twaalf jaar lang hét electorale boegbeeld van het CDA was, en volgens velen persoonlijk zowel de neergang van de Nederlandse christen-democratie langdurig maskeerde als - in 1993/'94 - het enorme CDA-verval (20 Kamerzetels) inleidde door zijn beoogde opvolger Brinkman al voor de verkiezingen te helpen afbranden. Waarna hij, kort achtereen, twee tegenvallers beleefde die als een dubbele anticlimax zijn politieke loopbaan besloten. Namelijk toen eerst zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van de Europese Commissie mislukte, vooral wegens verzet daartegen van de Duitse kanselier Helmut Kohl, en even later, na een pijnlijk verlopen sollicitatiebezoek in Washington, ook zijn kandidatuur voor de post van secretaris-generaal van de NAVO.

Voor de opmerkelijke stilte sindsdien rondom Lubbers, ook in het CDA, zijn wel verklaringen te bedenken. Naar zijn habitus en de aard van zijn politieke functies was hij bijna steeds een solist, een loner. Een jonge miljonair aan de linkerkant van de KVP, later een fractieleider van het CDA die in een gedeukte, oude auto naar het Binnenhof reed. Nog later de almaar briljante premier/partijleider die weinig zin had op te draven bij de schuttersfeesten of harmonieconcoursen waar zijn 'gewone' partijgenoten hem soms zo graag hadden gezien. Ook daardoor was of werd hij enigszins een politicus zonder echte vrienden, als het ware een politicus zonder partij.

Eigenlijk had Lubbers boven beschreven stilte niet met politieke uitspraken of oordelen willen doorbreken. Hij vindt dat rustende politici niet, of zo min mogelijk, in het openbaar moeten spreken over het werk van actieve politici. Dat uitgangspunt hield hij ook lang vast in de onderhandelingen over de vraag of, en wat, er uit een lang gesprek met hem mocht worden weergegeven. Want oorspronkelijk was dat: niets.

Eén kwestie zit hem echter dwars. Namelijk de suggestie als zou hij ooit, in 1989/'90, tegen de Duitse hereniging zijn geweest, wat voor kanselier Kohl een reden zou zijn geweest hem eind 1993 af te wijzen als kandidaat-voorzitter van de Europese Commissie. Een soort verklarende passage daarvoor is te lezen in een vorig najaar verschenen boek van Kohl. In dat boek (1) wordt de stemming onder Duitslands Europese en NAVO-partners in het najaar van 1989 tijdens een EG-Top in Straatsburg beschreven. Over Nederland heet het, naar het lijkt met veel begrip, bijna als verklaring waarom een onverwerkt oorlogsverleden een koele houding bepaalde:

“Auch für die niederländische Haltung war die Erinnerung an den zweiten Weltkrieg massgebend. Ministerpräsident Ruud Lubbers vertrat ein Volk, das unter der deutschen Besatzung besonders gelitten hatte. Vor 1933 waren die Niederlande durchaus deutschfreundlich gewesen. Sie hatten zum Beispiel dem abgedankten Kaiser Wilhelm II Asyl gewährt. Noch am Tag vor dem Einmarsch der deutschen Truppen hatte der damalige Reichsaussenminister Ribbentrop versichert, eine Invasion sei nicht beabsichtigt. Diese hinterhältige Lüge ist in den Niederlanden unvergessen geblieben. Das muss man sich als Deutscher einfach bewust machen.”

De kwestie zit Lubbers zó dwars dat hij toch bereid was tot een gesprek, zij het op uitdrukkelijke voorwaarde dat daaruit niets zonder zijn instemming zou worden gepubliceerd. De onderhandelingen over wat mocht worden weergegeven waren daardoor bijna even bijzonder als het gesprek zelf, mede dankzij een bijrol achteraf van een trio partijgenoten/adviseurs bij die onderhandelingen. Nee, niet Norbert Schmelzer, Dries van Agt of partijvoorzitter Helgers. Maar niettemin: dat duurde dus even.

Lubbers ontvangt in het gebouw van het instituut Clingendael voor een lang gesprek dat - van het een komt het ander - over Europa, het Verdrag van Amsterdam, de Muntunie, het CDA, de DuitsNederlandse relaties en Kohl zal gaan. Hij heeft op Clingendael geen eigen kamer, we zitten drie hoog in een slecht geventileerde, warme ruimte die uitziet op een uitgestrekt en prachtig Haags-Wassenaars park. Hoge bomen, kortgeschoren gazons, stuifduintjes, waterpartijen, siertuinen. Jonge moeders en nette oudere heren wandelen er op zo'n doordeweekse dag, eenden en konijnen hebben het er goed. A perfect place for nostalgics.

Een ex-premier onder de hanenbalken schenkt een bekertje automatenkoffie, doet zijn jasje uit en wrijft zijn wenkbrauwenpunten naar cartoonhoogte voor hij van wal steekt. Onder meer om te zeggen: een Verdrag van Amsterdam was in veel opzichten onnodig en oorspronkelijk zes jaar geleden in Maastricht ook niet voorzien. Vervolgens werd het een paar jaar later toch noodzakelijk geacht, omdat de EU beslist institutioneel hervormd moest worden vóór het begin van de uitbreidingsonderhandelingen met Oost-Europese landen. Merkwaardig: nu is de institutionele hervorming mislukt, maar beginnen die onderhandelingen toch en bijna niemand zegt er een woord over.

Duidelijk wordt nog iets: Lubbers kijkt terug op zijn mislukte kandidatuur voor het voorzitterschap van de Europese Commissie met het idee dat de Duitse kanselier Kohl najaar 1993 in een paar maanden tijd een redelijk welwillende houding veranderde in een veto-achtige afwijzing. Meer nog: dat de kanselier daarbij als het ware 'achteraf' op zoek ging naar bezwarend materiaal tegen de Nederlandse premier en hem 'via-via' van een deutschfeindliche houding ging betichten tijdens het Duitse eenwordingsproces van 1989/'90.

Of Kohl dat werkelijk pas jaren later zo ging zien is enigszins raadselachtig, zeker bij lezing van een boek van zijn adviseur Teltschik uit 1991 (2), waarin op Kohls gezag al een notitie voorkomt, terecht of niet, over Lubbers' koele houding jegens de Duitse eenwording op die EG-Top in Straatsburg. Aannemelijk is dat Lubbers' gehamer in 1989/'90 op de integriteit van de Oder-Neissegrens als Pools-Duitse grens Kohl heeft geërgerd. Daarover mocht deze immers toen als West-Duits kanselier, conform de preambule op de West-Duitse grondwet en twee arresten van het Constitutionele Hof in Karlsruhe, geen volkenrechtelijk bindende uitspraken doen. Dat was voorbehouden aan een herenigd en soeverein Duitsland dat na vrije verkiezingen onder alle Duitsers zou zijn ontstaan.

Bovendien had Kohl natuurlijk voor zijn ergernis ook een politiek motief. Namelijk dat hij en zijn CDU/CSU voorzichtig met deze zaak moesten omgaan om extreem rechts de wind uit de zeilen te nemen en onder de kiesdrempel van 5 procent te houden.

Anderzijds lijkt het buiten twijfel dat Kohl ook na 1990 nog lange tijd sympathiek stond tegenover Lubbers' Europese kandidatuur. Het vraagstuk van de destijds zo snel verslechterde verhouding van Kohl en Lubbers blijft nog wel even boeiend.

1) Helmut Kohl, Ich wollte Deutschlands Einheit. Dargestellt von Kai Diekmann und Ralph Georg Reuth, Propyläen Verlag, Berlijn 1996. 2) Horst Teltschik, 329 Tage, Innenansichten der Einigung, Siedler Verlag, Berlijn, 1991.