De strijd tussen architectuur en moderne kunst; Onbeteugelde museumgroei

In West-Europa heerst geen gebrek aan musea. Voormalige kloosters, fabriekshallen en zwembaden worden gevuld met het werk van steeds weer hetzelfde gezelschap internationale avantgarde- kunstenaars. Tegelijkertijd verrijst het ene spectaculaire museumgebouw na het andere. “Het Städtisches Museum in Mönchengladbach kan maar het beste veranderen in een licht en stralend warenhuis.”

De opmars van het moderne museum als cultureel attractiepark begon twintig jaar geleden met het Centre Pompidou in Parijs. De op een olieraffinaderij gelijkende kijkmachine was in meer dan één opzicht revolutionair. Het architectenduo Renzo Piano en Richard Rogers ontwierp een technisch en ruimtelijk multifunctionele container die in niets meer aan een conventioneel museumgebouw deed denken. Het industriële uiterlijk met de transparante roltrap-rups opkruipend tegen de als een bouwsteiger geconstrueerde voorgevel, werd het symbool van een opwindend laboratorium, een hogedrukpan voor de moderne kunst. De bezoekers kwamen zo massaal dat het meesterwerk van avantgarde-architectuur nu, nog geen twintig jaar oud, totaal is uitgewoond. Na de zomer gaat het dicht om de komende paar jaar ingrijpend te worden gerenoveerd voor een tweede leven dat op 1 januari 2000 van start zal gaan.

Aangestoken door het succes van 'Beaubourg' is de museumarchitectuur in de afgelopen twee decennia uitgegroeid tot een superieure vorm van verleidingskunst. De eerste golf nieuwe kunstmusea ná Beaubourg overspoelde begin jaren tachtig vooral Duitsland, met architectonische hoogtepunten in Mönchengladbach, Stuttgart, Frankfurt en Keulen. De stuk voor stuk opvallende creaties openbaarden dat de aantrekkingskracht van de nieuwe musea voor een belangrijk deel in de architectuur werd gezocht. Bij de talloze nieuwe musea en museumuitbreidingen die daarna in de meeste Westeuropese landen tot stand kwamen, is het met het vertrouwen in het spektakel van de moderne bouwkunst niet anders gesteld.

Met deze ontwikkeling heeft het museumgebouw zijn dienende, neutrale rol verlaten en is het gebouw zelf een kunstwerk geworden. Geen stad of streek van betekenis laat de kans op het verwerven van zo'n prestigieus kunstwerk aan zich voorbij gaan. De inhoud van het museum, de collectie, is vaker een alibi dan de werkelijke aanleiding voor een staaltje van vooruitstrevende architectuur.

Vooral nieuwe gebouwen die hedendaagse kunst op het programma hebben staan, strijden om het hardst om de eerste plaats in de arena van de spraakmakende architectuur. Dat levert ware schouwspelen op, zoals bijvoorbeeld in Groningen waar met het museum van Alessandro Mendini een toeristische topattractie werd binnengehaald. Het summum van zo'n schouwspel wordt vanaf dit najaar in Bilbao opgevoerd. De Californische architect Frank Gehry heeft voor de Noord-Spaanse stad een filiaal van het Guggenheim Museum ontworpen dat met een dynamisch, zilverglinsterend uiterlijk zich ongetwijfeld gaat scharen bij de meest eclatante bouwwerken van de wereld.

Naast nieuwe architectuur is herbestemming van oude, monumentale gebouwen een belangrijke oorzaak van de onbeteugelde museumgroei. Fabriekshallen, stations, kerken, kastelen en paleizen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren, worden aan de lopende band tot nieuwe behuizingen voor de kunst omgevormd. Ook bij het 'tweede gebruik' doet zich het vraagstuk voor van de verhouding tussen de geëxposeerde, veelal beeldende kunst en de architectuur van het gebouw. Monumenten van industriële archeologie zoals fabriekshallen gedragen zich in hun nieuwe museumbestaan meestal neutraal, als een atelier dat zich van alles laat welgevallen. Bij kerken, kastelen en paleizen is dat minder het geval omdat zij van top tot teen werken van uitgesproken stijl en bouwkunst zijn. Vooral tegenover moderne kunst kan hun houding pijnlijk onverdraagzaam uitvallen.

Badhotel

Nieuwsgierig naar de krachtmeting tussen de tentoongestelde kunst en de museumarchitectuur, bezocht ik het nieuwe 'Museum Kurhaus' in Kleef. Uiterlijk is het negentiende-eeuwse driespan van badhotel, wandelgalerij en badhuis geheel in de oorspronkelijke, classicistische stijl hersteld. Daardoor is een stil, romantisch beeld ontstaan: een langgerekt, wit complex tegen het decor van een groen beboste heuvel. Bij de innerlijke verbouwing heeft de Nederlandse typograaf en ontwerper Walter Nikkels (1940) grotendeels de oude ruimtelijke indeling gehandhaafd. Alleen in de hotelvleugel is de hokjesgeest rigoureus verdreven en zijn kamers tot zalen samengevoegd. Aan de achterzijde van de wandelhal werd een ruim vijftig meter lange stoa gebouwd, een robuuste kolommengalerij waarvan de immense ramen het gras, de struiken, de aarde en de boomstammen op de heuvelvoet zo dichtbij brengen, dat het lijkt alsof de natuur hier door een vergrootglas wordt bekeken.

Met de talloze ramen en glazen balkondeuren is Museum Kurhaus een en al transparantie. Samen met het overvloedige licht stroomt in alle zalen het omringende parklandschap binnen waarvan de aanleg stamt uit het midden van de zeventiende eeuw. Walter Nikkels heeft de zorgvuldige architectuur van het nieuwe museum de helderheid gegeven van het bronwater waar het kuuroord zijn geschiedenis aan te danken heeft. Het is een weldaad om door de aaneenlopende zalen te dwalen en bij elk raam te verwijlen; het is verslavend om op het esthetisch voorbeeldig vormgegeven dakterras over het historische baroklandschap uit te kijken en te bedenken wie hier allemaal hebben gewandeld, Frederik de Grote, Voltaire, koningin Wilhelmina. En de kunst? O ja, de moderne kunst. De zoveelste iglo van Mario Merz, loden wandbeelden van Kounellis, een kamergrote installatie van Boltanski, fotowerken van Jeff Wall, schilderijen van Gilbert & George; zij kunnen het niet bolwerken tegen de beelden van de natuur die elk venster tot een kunstwerk maakt. De bezoeker van het Kurhausmuseum wil niet worden lastiggevallen door Merz en Kounellis en andere moderne kunstenaars die hier niets te zoeken hebben en ook op zoveel andere plaatsen zijn te zien. Daarentegen heeft het grote, diapositieve en infrarode portret van Joseph Beuys, geschilderd door Andy Warhol in 1981, alle recht om hier te hangen. Beuys werd in 1921 in Kleef geboren en in de jaren vijftig had hij in het badhuis van het Kurhaus zijn atelier. En de nalatenschap van de beeldhouwer Ewald Mataré (1887-1965), leermeester van Beuys, is hier ook meer dan thuis. Het lijkt wel of het aan de plastieken, de religieuze objecten, de enorme houten crucifixen is te zien dat zij in deze streek geboren zijn. Het standbeeld van Minerva dat in de stoa onder een eigen lichtkoepel een bijzondere plaats heeft gekregen, was een geschenk van de stad Amsterdam aan de stadhouder van Kleef, Johan Maurits van Nassau-Siegen. Het marmeren beeld werd in 1660 gemaakt door de Antwerpse beeldhouwer Artus Quellinus en heeft altijd het middelpunt van de tuinen gemarkeerd, met het amfitheater en de Fontana Miranda, de wonderfontein die het Duits-Nederlandse grensplaatsje de faam van kuuroord bezorgde. Wat een culturele rijkdom, en hoe glansrijk verslaat de barokke Minerva de installatie van Boltanski.

Het eigen karakter van Museum Kurhaus heeft Walter Nikkels met zijn villa-architectuur aantrekkelijk benadrukt. De geschiedenis en het landschap krijgen volop de kans om door de ramen, over het balkon en over het dak naar binnen te komen.

Zwembad

In het voormalige zwembad Goseriede in Hannover valt het tegenovergestelde te beleven. Met sobere materialen, lichte, houten vloeren en kale trappen van hout en staal werd de intieme, stedelijke zweminrichting omgebouwd tot kunsthal ten behoeve van het Kestner-Gesellschaft. Het resultaat is een bijna hallucinerend ensemble van witte ruimtes waarvan het blanco karakter door geen enkel uitzicht naar buiten wordt verstoord. De oorspronkelijke functie verklaart de ongewone bassinvorm van de hoofdhal die geen architect van een nieuw te bouwen museum zo zou ontwerpen. Ook de hoge, diepliggende thermenvensters die voor gewijd, diffuus licht zorgen, zouden niet in het hoofd van een nu levende museumarchitect opkomen. De zwembad-akoestiek, die de transformatie overleefde, benadrukt de afstand die de architectuur van de museuminhoud heeft genomen. Vooral kunstenaars moeten in het voormalige zwembad Groseriede het ideale museum zien. In deze gesloten, witgemaskerde tempel staat niets de aanbidding van de Kunst in de weg.

Het meest opdringerige museuminterieur is in Essen te vinden. In het ketelhaus van de voormalige kolenmijn 'Zollverein Schacht XII' heeft de Britse architect Norman Foster het Design Zentrum Nordrhein-Westfalen ingericht. Geen museum voor hedendaagse beeldende kunst, maar tentoonstellings-accomodatie voor internationale hoogtepunten van moderne vormgeving, dus wel met een kunsthal of museum te vergelijken. De imposante, kubistische mijngebouwen van staal en baksteen werden eind jaren twintig, begin jaren dertig ontworpen door de aan het Bauhaus verwante architecten Fritz Schupp en Martin Kremer. Door de torenachtige opbouw kreeg het machtige ketelhuis de bijnaam 'Kathedraal van de Roer' en Foster heeft vooral door een schoonmaakactie de oerkracht van de industriële architectuur bloot gelegd. Het oorspronkelijke interieur van de ontzagwekkende fabriek is geen haar gekrenkt. Alles is er nog, ketels zo groot als stoomlocomotieven, hechte buizenkolonnes, leidingen, roostervloeren, loopbruggen, ijzeren trapleren, meterkasten, de hele machinale santenkraam die nodig was om een kolenmijn gaande te houden, wordt in een korset van staal en baksteen voor de eeuwigheid bewaard.

De tijd heeft de huizenhoge ingewanden van de werkplaats een doordringend patin van roest gegeven. Rondom dit bruinrode monument heeft Norman Foster, op ongeveer tien meter hoog, een zwevende omloop aangebracht. Vanaf deze catwalk kan de bezoeker de bekroonde hoogtepunten van modern design bewonderen, die aan vederlichte draadjes in het onverwoestbare decor zijn opgehangen of op zwevende podia staan opgesteld. Hagelwitte badkuipen, aerodynamische rolstoelen, ronde ijskasten, stofzuigers, auto-onderdelen, fornuizen, kantoormeubelen, wc-potten, alle objecten waar een ontwerper aan te pas komt, zijn in de machinekamer te vinden. Het motto van de uitstalling: 'De mens is het produkt van zijn produkten'.

De raadselachtige ingewanden van het ketelhuis zijn zo aangrijpend dat zij op deze tentoonstelling de voorgrond in plaats van de achtergrond innemen. Het reusachtige mijnhart steelt de show en al die glanzende, gepolijste en o zo geniaal ontworpen voorwerpen worden er een beetje lachwekkend van. Dat is het unieke van de inrichting van het Design Zentrum, de ernst waarmee de kunst van het ontwerpen vaak gepaard gaat, wordt erdoor weggenomen.

Proosdij

Het Stedelijk Museum in Mönchengladbach dat met rustiek golvende baksteenwallen en een verwaarloosd 'processiepad' tegen de helling van de Abteiberg omhoogklimt, werd in 1982 geopend en was het eerste van de reeks spraakmakende museumcomplexen die in de loop van de jaren tachtig in verschillende Westduitse steden werden opgetrokken. Het gebouwenstelsel is ingenieus ingeweven tussen een voormalige abdij, een romaans-gotische kathedraal en een barokke proosdij (een soort kloosterwoning van een kardinaal) met een oude tuin. Aan de andere kant loopt over de heuvelrug de centrale winkelstraat van de stad, de Hindenburgstrasse, die er net zo erbarmelijk en visueel luidruchtig uitziet als de meeste centrale winkelstraten in Westeuropese steden en stadjes. Die twee werelden, de historische cultuur en natuur aan de ene kant en aan de andere het vertoon van ongebreideld, hedendaags consumentisme, worden met elkaar verbonden door een loopbrug naar het museum. De brug, ogend als een kaal viaduct, is geslagen op grond van een van de praktische lessen in de moderne museumbouw: tracht te profiteren van de nabijheid van het 'recreatief winkelende' publiek.

In Mönchengladbach heeft dit profijtbeginsel niet gewerkt. De voetgangersbrug die naar het indertijd alom geprezen daklandschap van het museum leidt waar zich de oorspronkelijke hoofdentree bevindt, ziet er ongebruikt uit. Het daklandschap zelf, met als letterlijk hoogtepunt de gedeeltelijk met gevels van spiegelglas uitgevoerde kantoortoren, maakt na vijftien jaar een blikkerige, gedateerde indruk.

De museumhal met het relatief lage, veredelde systeemplafond boven een U-vormige balie verraadt niet onmiddellijk dat het gebouw een creatie is van de Weense architect Hans Hollein (1934). Maar het onwaarschijnlijk lichte verschiet met daarin de witte, gladde kolommen en, terzijde, de in wit marmer bevroren tredencirkels, zijn onmiskenbaar van de hand van deze kunstenaar-architect die zijn museumontwerp indertijd in goud signeerde.

Omdat ik in de hal de enige bezoeker ben, valt het tableau-vivant in het oog dat op de voorgrond door het personeel wordt opgevoerd. Een grijze vrouw zit kaarsrecht achter de kassa een boekje te lezen. Een tweede vrouw, wat ouder en met felrode lippen, poseert in stramme houding met haar rug tegen de houten balie. Een derde vrouw zit een tiental meter verderop roerloos op een stoel met haar handen in de schoot, als een van de schrikbarend levensechte beelden van George Segal.

De grijze vrouw verkoopt een toegangskaartje. De tweede vrouw gebiedt glimlachend het opbergen van een tas in een garderobekluisje en nummer drie verheft zich in trage beweging van haar stoel als de bezoeker kennelijk in haar rayon komt. Zij, of een van haar vrouwelijke collega's die de enige museumbezoeker nauwlettend volgen, dringt er op aan om met elektrische knopjes de kunst te laten trillen en tollen. Het tableau-vivant in de hal en de vasthoudende suppoosten doen denken aan een tekst van Paul Valéry uit 1923 waarin hij zijn ambivalente houding tegenover het museum beschreef: “Bij de eerste stappen die ik zet naar al die schone dingen, neemt een hand mij mijn wandelstok af en waarschuwt een bordje mij dat roken verboden is. Verstijfd door dit autoritaire gebaar en de dwangmatigheid die ik onderga, stap ik eerst een zaal met beeldhouwwerken binnen waar kille verwarring heerst. Tussen de benen van een bronzen atleet wordt een verleidelijke buste zichtbaar. De rust en het geweld, de belachelijke en de lachwekkende dingen, onmogelijke houdingen en de meest onwaarschijnlijke evenwichten maken op mij een ondragelijke totaalindruk.”

De beelden, schilderijen, objecten en installaties van vooral naoorlogse moderne kunst die de vaste collectie van het Stedelijk Museum in Mönchengladbach laat zien, zijn niet in staat om de bezoeker in verwarring te brengen. Sterker, het werk van het bekende rijtje - bijna stond hier 'het uitgekauwde rijtje' - internationale avantgarde-kunstenaars dringt nauwelijks tot mij door. De reden waarom ik de kunst over het hoofd zie, is het matige gehalte van de collectie, maar vooral de aanstekelijke museumarchitectuur. De ramen, de trappen, de compositie van de in elkaar overvloeiende zalen, plinten, bordessen en galerijen eisen alle aandacht op. In alle richtingen is het bijna lichtgevende museuminterieur zo'n mooie ruimtelijke eenheid, dat de poëtische architectuur van deze overdekte stad mij volledig meesleept.

Het museumleven van dit gracieuze mausoleum voor moderne kunst, waar elke bezoeker altijd alleen is, kan niet lang meer duren. Dat ooit plannen voor een 'tweede gebruik' van dit museumgebouw moeten worden gemaakt, lijkt onvermijdelijk. Daarmee zal een nieuw fenomeen zijn intrede doen. Vele musea zijn ondergebracht in gebouwen die vroeger een andere bestemming hadden, maar is ooit een als museum ontworpen gebouw getransformeerd om een andere functie te dienen?

Tweede gebruik

Met de overdaad aan bestaande musea en de groeiende verzameling die nog, letterlijk en figuurlijk, in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Portugal in de steigers staat, zal het tweede gebruik van het museumgebouw in de volgende eeuw waarschijnlijk even actueel worden als de herbestemming van als monument aangemerkte kerkgebouwen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Vooral in de kleine en middelgrote steden die nauwelijks andere culturele of natuurlijke attracties bezitten, zullen de hoge exploitatiekosten de nieuwe kunstmusea fataal worden.

Welk ander leven zou aan het jonge monument van Hollein in Mönchengladbach kunnen worden gegeven? Het koele, helle kunstlicht in een aantal zalen - afkomstig van dubbele neonbuizen in honingraatvormige configuratie tegen het plafond - bezorgde de sleutel. Zo zijn luxueuze warenhuizen verlicht. Het Städtisches Museum in Mönchengladbach kan het beste veranderen in een licht en stralend warenhuis. Hollein's interieur is elegant genoeg om het 'recreatief winkelende' publiek van de Hindenburgstrasse naar het kooppaleis op de Abteiberg te lokken. Het enige offer dat voor het, economisch noodzakelijke tweede gebruik van dit museumgebouw moet worden gebracht, is de verhuizing van de kunst van Beuys, Marcel Broodthaers, Ulrich Rückriem, Richard Serra, Gerhard Richter, Sigmar Polke, Lawrence Weiner, Palermo, Warhol en van vele andere bekenden uit het moderne kamp. Misschien kan deze collectie worden gebruikt om eens uit te zoeken waar welke kunstwerken eigenlijk thuishoren, in welke stad, in welke streek, in welk land, in welk museum? De echte universele werken blijven dan achter. Deze worden aangeboden aan de musea die er in slagen om met hun verzameling een uniek, levendig schouwspel op te voeren, nog meeslepender dan de meest vooruitstrevende museumarchitectuur.

    • Max van Rooy