De kunst van het aftellen

In een roman van de Ierse schrijver Flann O'Brien vraagt een oude grootvader zijn kleinzoon om hem voor te lezen uit de krant (ik citeer uit mijn geheugen). “Ik kan niet lezen, Opa”, zegt het kind. “Ik ben pas vier.” “Bah, je bent al net zo erg als de rest”, zegt de oude. “Je telt van de verkeerde kant.”

Wat zou deze grootvader zeggen van de Millenniumklok, vraag ik me af. Die telt terug, vanaf middernacht 31 december 1999. Is dat de goede kant? De gevoelswaarde van achteruit tellen verschilt nogal met die van vooruit. Op een gewone klok schrijdt de tijd volmaakt gelijkmatig voorwaarts tot in de oneindigheid. Aftellen verdikt de tijd; iedere minuut brengt het einde -dreigend of hoopvol - dichterbij. En dan stopt de klok. Naar de dood wil niemand aftellen. Ook wie door de medische wetenschap is opgegeven telt liever vooruit: iedere dag is er één, een plotseling herstel, een nieuw medicijn, alles is nog mogelijk. Aftellen naar de dood doet alleen een veroordeelde in de dodencel, maar zelfs daar leeft de hoop op uitstel, op pardon. Wat iedereen wel graag doet, is aftellen naar vrolijke dingen. Nog zoveel nachtjes slapen, en dan ben je jarig - de opwinding die dat zinnetje teweegbracht. Bij grotere groepen mensen versterkt dit aftellen het gevoel van lotsverbondenheid. (Wat is er trouwens geworden van die gigantische aftel-klok in Hongkong, na de overdracht?) Het komende millennium zal door meer mensen simultaan worden gevierd dan enige andere gebeurtenis in de geschiedenis. Een 'golf' gaat rond de aardbol in het etmaal dat de ene tijdzone na de andere het uur nul bereikt.

Kunstwerken worden geassocieerd met de manier waarop wij de jaren tellen of aftellen. Gewijde kunst heeft het meest te maken met het laatste. Gewijde kunstwerken zijn gemaakt voor een moment suprème: een mis, een hoogtijdag, een plechtigheid, een ritueel offer. Avant-gardekunst wil zijn tijd vooruit zijn, op de toekomst anticiperen. Ouderwets geworden stijlen wachten erop weer tot leven te worden gewekt door een nieuwe mode. Kunst wordt door de tijd aan- en uitgeschakeld. De waarde van kunstwerken wordt eerder bepaald door hun functie in de tijd, dan door uiterlijke kenmerken. Als er maar genoeg tijd verstrijkt, dan wordt ieder werk, goed of slecht, een kunstschat. Een eeuwwisseling accentueert en versnelt dit proces. Na 1999 krijgt alle kunst van de twintigste eeuw een aureool van eerbiedwaardigheid. De tijd zal geen enkele theorie over de betekenis van de kunst in het gelijk stellen. Geen enkele voorvechter van wat voor stroming dan ook komt als winnaar uit de bus. Aan het eind van de eenentwintigste eeuw hangen Mondriaan, Anton Pieck,Willem de Kooning en Walt Disney naast elkaar in de zalen voor twintigste-eeuwse kunst van alle musea ter wereld. De tijd scheidt het kaf niet van het koren, maar gooit alles op één grote hoop.

Dat is het effect van de tijd zoals we dat gewend zijn van de klok. En het millennium? Zullen we iets van het aftellen kunnen merken aan de kunst? Als ik gelijk heb met mijn analyse - dat aftellen zich meer laat associëren met gewijde kunst dan met profane, dat het een gevoel van lotsverbondenheid oproept - dan krijgen we ongetwijfeld meer kunst van een bepaalde soort te zien. Groepsprojecten, kunst die zich richt op het universele en minder op het individuele, die zichzelf serieuzer neemt, zich bezighoudt met metafysica, mystiek en noodlot en niet zo speels is als het post-modernisme.

Houdt u daar niet zo van? Geen probleem. Nog achthonderdzoveel nachtjes slapen en het is weer voorbij.

Intussen ben ik ook aan het aftellen geweest, naar het eind van een kleine etappe in mijn leven: de tijd van Onvoorziene Omstandigheden in CS is op.

Dank aan alle lezers die reageerden, de krant die redigeerde en de vertaalster die mij inspireerde.