Arthur Rimbaud in Afrika; Wraak op de poëzie

Arthur Rimbaud: L'oeuvre intégrale manuscrite. Bezorgd door Claude Jeancolas. Textuel, 264 blz. ƒ 103,50

Charles Nicholl: Somebody Else. Arthur Rimbaud in Africa 1880-1891. Jonathan Cape, 335 blz. ƒ 74,45

'Dood, hoor ik?' Arthur Rimbaud was de grote, martelende liefde van zijn leven, maar toen Paul Verlaine eind 1891 het gerucht vernam dat zijn vriend was overleden, haalde hij in een brief aan een kennis bijna achteloos zijn schouders op. Nadat het nieuws was bevestigd, liet hij een grafdicht volgen, waarin hij Rimbaud bezong als 'witte neger', als beschaafde en beschavende wilde. Lauwwarme verzen waren het; voor Verlaine leefde zijn liefde voort in het beheren van Rimbauds literaire nalatenschap, in de losse, her en der fladderende vellen die hij achteraf, na de wervelwind van hun hartstocht, had bijeengeraapt en uitgegeven, gekoesterd door zijn tekstuele zorg.

Rimbaud was hem ontglipt. Na het liefdesdebacle van 1873, toen een doorgedraaide Verlaine in een Brussels hotel twee kogels afvuurde op zijn vriend en voor twee jaar de gevangenis in moest, hadden de dichters elkaar nog wel eens ontmoet, maar de betovering was voorgoed verbroken. Verlaine was in de ban geweest van het onbenaderbare genie van Rimbauds dichterschap. Toen dat was opgebrand, en Verlaine zelf tijdens zijn gevangenschap het Licht had gezien, veranderde zijn helse minnaar voor hem in l'homme-aux-semelles-de-vent, de man met de wind als schoenzolen, een altijd afwezige, bijna komische figuur, die opdook in flarden van onbetrouwbare verhalen over avonturen in uitheemse plaatsen met exotische namen. Meestal wist Verlaine niet eens waar ze lagen. Het spaarzame nieuws over zijn belevenissen prikkelde de verbeelding van hem en een paar wederzijdse vrienden. In hun brieven aan elkaar maakten ze een stripfiguur van hem, een getekend ventje dat onverstoorbaar de wereld tot zijn thuis had gemaakt; ze tekenden hem proostend met een ijsbeer op de Noordpool, allebei met een glas absinth in de hand, ze lieten hem naakt dansen temidden van inboorlingen, stelden zich hem met een kaalgeschoren hoofd voor. Maar op een gegeven moment hielden zelfs de anekdotes op. Toen Verlaine in 1886 Rimbauds bundel prozagedichten Les Illuminations liet uitgeven, maakte het voorwoord gewag van 'wijlen Arthur Rimbaud'.

Rimbaud leefde nog, maar in overdrachtelijke zin was hij inderdaad postuum. Voor zijn dichterlijke vrienden was hij dood, precies zoals hij zelf had gewild. Hij had het woeste domein van zijn verbeelding voorgoed verlaten. Zijn vertrek had hij aangekondigd in het laatste prozagedicht van Une saison en enfer: 'Ik, ik die mezelf uitriep tot magiër of engel, boven iedere moraal verheven! Ik sta weer op de grond, en moet een taak vinden, mij wijden aan de harde werkelijkheid! Boer!' (de vertaling is van Hans van Pinxteren).

In zijn 'zienersbrief' aan zijn vriend en leraar Georges Izambard had hij in 1871 geschreven dat hij zichzelf als 'een ander' onderging (het beroemde zinnetje dat iedere poëtisch aangelegde adolescent in zijn ziel kerft: 'Je est un autre'); die gewaarwording van zijn zestienjarige ik, kreeg nu beslag in de werkelijkheid. Rimbaud werd een ander. Extreem in alles wat hij deed, zocht hij het hardste van alle levens uit, veel harder dan het bestaan van een Franse boer: hij werd koopman in het barre landschap van Oost-Afrika. Daar beulde hij zichzelf de laatste tien jaar van zijn leven af, alvorens in 1891 uitgemergeld en doodziek terug te reizen naar Frankrijk.

Die Afrikaanse jaren; ze passen volmaakt in de romantische mythe van Rimbaud - zolang je er maar niet te veel over weet. De dichter als een wild kind, geniaal en ontembaar, dat van de ene dag op de andere de poëzie de rug toekeert en de rest van zijn leven onzichtbaar in de duistere binnenlanden van Afrika slijt en pas terugkeert om te sterven; zo gezien is het een ideaal slothoofdstuk. Rimbaud was iemand die altijd en onder alle omstandigheden de eer aan zichzelf hield. Dat is een essentieel en onweerstaanbaar aspect van de mythe: Rimbaud die het leven zijn wil oplegt, die moeiteloos ontsnapt aan de dodelijk prozaïsche feiten van het bestaan. De onverschrokkenheid waarmee hij zich in zijn poëtisch avontuur stortte en 'de ontregeling van alle zinnen' bij zichzelf bewerkstelligde om werkelijk visionair te kunnen worden en alles nieuw te zien, maakt hem allesbehalve tot een speelbal van onzichtbare machten. Hij is de dichter die het mes in zichzelf zet, die het aandurft de werkelijkheid als een sleetse constructie te ontmaskeren en vervolgens te vernietigen. Het gevaarlijk spel wordt tot het eind gespeeld, het is alles of niets. Rimbaud is de dichter met de hamer.

Maar net als Nietzsche, een tijdgenoot, stootte Rimbaud voortdurend zijn hoofd tegen de werkelijkheid - en op het laatst was hij volkomen sufgebeukt. Dat leidde niet tot een glorieuze ondergang, zelfvernietiging als een schitterende lichtflits - het was een tergend langzaam proces. Als hij met een engel vocht, dan was het met de grauwe demon van de desillusie. Welbeschouwd is zijn biografie één lange aaneenschakeling van mislukte ontsnappingspogingen; op elke wilde vlucht volgde onherroepelijk een tragische thuisreis, aanvankelijk als een jongen met hangende pootjes, later als een gebroken man. Elke thuiskomst hield voor Rimbaud het besef van een mislukking in, een voorwaardelijke capitulatie. Eerst was het Charleville, zijn geboorteplaats in de Franse Ardennen, later groeide het uit tot heel Frankrijk - symbolen van zijn onmacht om zich voorgoed te ontrekken aan de zwaartekracht van het bestaan. De radicale omwenteling die hij door middel van zijn poëzie nastreefde, was tot mislukken gedoemd. In Une saison en enfer blijkt zijn ontdekkingsreis door zijn eigen geest veranderd in een regelrechte hellevaart: 'Ik denk dat ik in de hel ben, dus ben ik in de hel.'

En Afrika? Wat zocht Rimbaud daar? In biografieën worden zijn jaren in de wildernis altijd een beetje weggemoffeld, omdat er zo weinig over te vertellen valt, maar ook omdat de naakte feiten van zijn leven daar simpelweg veel minder tot de verbeelding spreken dan zijn roesachtige jaren temidden van de Parijse bohème. In Rimbauds poëzie is Afrika een gedroomd continent, een duistere plek in de ziel, symbool voor het onbewuste, primitieve leven, zoals het dat in Conrads Heart of Darkness is. Maar de verteller in die novelle, Marlow, schrikt terug voor identificatie met de razernij van dansende wilden, terwijl Rimbaud in hen opgaat: 'Ken ik de natuur nog? ken ik mijzelf? - Geen woorden meer. Ik stop de doden in mijn buik. Krijs, drum, dans, dans, dans! Mij ontgaat zelfs het uur dat ik, met de komst van de blanken, in het niets zal verdwijnen. Honger, dorst, krijs, dans, dans, dans, dans!' Die volledige overgave, was dat wat hij daar werkelijk zocht? Het past in de mythe: de daad bij het woord. Rimbaud als native, de witte neger. Maar de feiten laten het tegendeel zien.

Somebody Else, het boek dat de Engelsman Charles Nicholl over Rimbauds Afrikaanse jaren schreef, toont een oudere Rimbaud die zich niet alleen van de kunst heeft afgekeerd, maar die alles op alles zet om als het ware anti-poëtisch te leven. Met eenzelfde verbetenheid waarin hij zich als puber aan de ijlkoortsen van zijn verbeelding overgaf, klampt hij zich nu vast aan de werkelijkheid. Alles moet tastbaar zijn, niets wordt aan de verbeelding overgelaten. Hij wordt een handelaar in Djibouti en Abessynië, een eenzame man die de waarde van alles kent en zo nauwgezet mogelijk zijn boekhouding bijhoudt. Het bestaan wordt in een kasboek geperst. Heel zijn leven is letterlijk een winst- en verliesrekening geworden. Over Rimbauds eindeloze karavanen met ruilhandel waarmee hij vanaf de kust de binnenlanden introk, merkt Nicholl op: 'Dit is de nieuwe alchemie - niet de alchimie du verbe, maar de mercantiele transformatie van katoen in struisvogelveren en ivoor.'

Die verbluffende ommekeer binnen een leven lijkt van Rimbaud inderdaad 'iemand anders' te maken. Hij leeft temidden van handelaren - niet alleen Fransen, maar ook Italianen en Grieken - die niets weten van zijn vorige leven als decadent dichter. Ze leren hem kennen als een betrouwbare partner in een gevaarlijke handel. Later, na zijn dood, wanneer hij postuum beroemd geworden is en de twee helften van zijn leven weer aan elkaar gelijmd moeten worden, halen deze mannen van de praktijk stuk voor stuk breeduit herinneringen aan hem op in tal van memoires, interviews en artikelen. Ze hebben hem nooit op dichterlijke aanvechtingen kunnen betrappen. En homoseksueel was hij al helemaal niet. Ze komen met fysieke beschrijvingen - de Afrikaanse Rimbaud was schraal en grijs en alleen zijn blauwe ogen leek hij te hebben geërfd van de jongen die Verlaine het hoofd op hol bracht - en vertellen anekdoten over zijn stuursheid en driftaanvallen, zijn onverstoorbare eigengereidheid, zijn hulpvaardigheid jegens behoeftige medemensen, zijn verschroeiende sarcasme. Ze noemen een inheemse minnares. Bij elkaar zijn het heel wat feiten en aanwijzingen. En toch wil het maar geen portret worden.

Waarom is het zo moeilijk om Rimbaud in Afrika te zien? Nicholl begrijpt dat Rimbauds leven als dichter en zijn leven als handelaar twee kanten van dezelfde medaille vormen. Maar dat inzicht blijft vervolgens in de lucht hangen, terwijl hij uitvoerig Rimbauds Afrikaanse ik probeert te reconstrueren. Somebody Else bestaat uit een mengeling van biografie en reisverslag; begin jaren negentig heeft Nicholl Oost-Afrika bereisd om sporen van Rimbauds aanwezigheid te vinden. Dat relaas mist scherpte en diepte, omdat er nauwelijks sporen te vinden zijn, enkel wat zwakke echo's; de rest is onbeholpen, pseudo-romantische identificatie. Maar ook uit de ooggetuigeverslagen van Rimbauds handelspartners rijst een figuur op die niet meer dan twee dimensies heeft, die in laatste instantie niet goed te rijmen is met de ook nu nog bijna tastbare aanwezigheid van Rimbaud de dichter in Europa. Rimbaud in Afrika blijft even schimmig als de drie fotoportretten die hij van zichzelf maakte.

Ligt het aan onze blik, weten we domweg niet genoeg van hem? Of hebben we te maken met iemand die ook werkelijk niet meer aanwezig is, een van binnen uitgeholde persoonlijkheid? De jonge dichter had iets van een wonderkind - het lijkt me ook waarschijnlijk dat het de poëzie was die Rimbaud opgaf en niet andersom.

In Afrika handelde hij in alles wat los en vast zat: dierenvellen, goud, ivoor, musk, geweren en steelpannen. Alles behalve slaven, dat lijkt nu wel zeker. Hij schijnt geen ander doel in zijn leven gehad te hebben dan geld verdienen, waarvan hij tijdens zijn oude dag in Frankrijk comfortabel zou kunnen leven. Zijn basis was jarenlang de geïsoleerde stad Harar, een door mythen en dreiging omgeven oord, dat een tijdlang in handen was van de Egyptenaren. Maar het dagelijkse leven bleek er weinig betoverend en vol sleur en beslommeringen. In zijn brieven naar huis klinkt een almaar terugkerend refrein van verveling en wanhoop op, afgewisseld met prozaïsche beschrijvingen van zijn erbarmelijke omstandigheden.

Ook Afrika blijkt een hel voor hem, niet één vol roes en waanzin, maar vol alledaagsheid, een en al hopeloze vergeefsheid. Langzaam maar zeker wordt hij gesloopt door het klimaat, het eindeloze onderhandelen en het trouwtrekken met inheemse kooplieden en potentaten. Hij is alleen of deelt zijn bed met een vrouw uit Abessynië, waarchijnlijk een slavin, die hij uiteindelijk terugstuurt naar haar familie. Zijn leven is onleefbaar, verklaart hij keer op keer in zijn brieven aan zijn moeder. Het leven is onverdraaglijk, het bestaan een langgerekt zinloos lijden, zonder beloning of rust. Als hij ergens van droomt, is het van een carrière als ontdekkingsreiziger in de binnenlanden, die heel precies een verslag van zijn bevindingen zal publiceren. Afgezien van een bewerkt verslag van een van zijn compagnons, komt er niets van. Riep hij in Une saison en enfer uit dat zijn bestaan te licht was ('mijn leven is niet zwaar genoeg, het stijgt op en drijft weg, hoog boven de daad, die tere plek van de wereld'), in Afrika wil er bijna niets meer van de grond komen. Gekluisterd is hij, zijn leven een gevangenis waaruit hij, dat beseft hij gaandeweg, nooit meer zal kunnen ontsnappen. Het droombeeld van een gelukkig gezin in welvaart in Frankrijk verflauwt; het is te laat, hij is te Afrikaans geworden, hij zal niet meer kunnen aarden. Hoe exotisch zijn omgeving ook is, zijn leven staat stil.

Het drama in Somebody Else schuilt in de contrasten met zijn afgelegde bestaan als dichter. Zijn geloof in het woord heeft plaatsgemaakt voor wat zijn vriend de ritselaar Alfred Ilg la maladie bazardique noemt, 'bazarkoorts'. De schamelheid van die obsessie is hem niet ontgaan. Over een zekere Brémond schrijft hij in de zomer van 1889 aan Ilg: 'Brémond heeft een uitdragerij geopend waar je haarborstels kunt kopen, oesterschelpen als snuisterij, houdbare blokjes voor Julienne-soep, pantoffels, macaroni, nikkelen kettingen, portemonnees, bolero's, eau de cologne, pepermunt, en nog ontelbaar veel andere vreselijk praktische zaken die ideaal voor inheemse consumptie geschikt zijn. Dat is de som van zijn kennis van Abessijnse produkten na hier twaalf jaar doorgebracht te hebben!' De schampere toon van die lange opsomming onthult dat Rimbaud zichzelf herkend heeft. Als Afrika ooit een droom voor hem geweest is, dan is hij nu voorgoed vervlogen.

Nicholl beschouwt Rimbauds Afrikaanse jaren als een soort voortzetting van zijn dichterschap met praktische middelen, een consequente transformatie van het leven. Dat beeld is veel te romantisch gekleurd, opgeroepen door het exotische decor van Rimbauds aftakeling en ondergang.

Afrika was de keerzijde van Rimbauds dichterschap. Probeer het leven van Rimbaud als een geheel te zien, Frankrijk en Afrika, poëzie en handel, de visionaire roes en de hardst mogelijke werkelijkheid, en je ziet dat zijn Afrikaanse periode één lange thuisreis is geweest, een reactie, eerst heftig, toen berustend, op het tragische falen van zijn verbeeldingskracht.

Geen wonder dat Rimbaud niets wilde weten van zijn groeiende reputatie als baanbrekend dichter in Frankrijk. Toen zijn werkgever hem er op een dag over aansprak, beperkte hij zich tot een kort, minachtend commentaar: 'Absurd! Belachelijk! Weerzinwekkend!' Dat was geen pose, het was werkelijk wat hij voelde. Toen zijn visioen van het dichterschap eenmaal was omgeslagen in de ijlkoortsen van Une saison en enfer, was hij diep doordrongen geraakt van de verpletterende onmacht van zijn kunst, van alle kunst. Hij had het leven zelf nieuw willen maken door de alchemie van het woord en alleen hij, hij die het verst gegaan was, die het hoogst had gegrepen, besefte de zinloosheid van die onderneming.

Weerzinwekkend! Rimbaud wilde niet meer aan zijn gedichten herinnerd worden zoals je die ene grote, tragisch verlopen liefde niet meer onder ogen wilt komen. Critici en biografen verbazen zich er altijd over dat hij na zijn vertrek uit Europa nooit meer een dichtregel op papier heeft gezet - alsof hij dat nog had gekund! Het aanhoudende gerucht dat Rimbaud in Afrika een verloren meesterwerk zou hebben geschreven, kan niets anders zijn dan een romantische fantasie: zijn bewonderaars kunnen Rimbauds desillusie eenvoudig niet geloven. Dat wil niet zeggen dat hij nooit meer aan poëzie heeft gedacht; de wrange opsomming van de bazaarprullen in zijn brief aan Ilg, laat een profane echo van een gedicht horen, alsof hij zichzelf zijn eigen nederlaag nog eens goed wil inwrijven.

Het pijnlijkste aan het leven van Rimbaud is zijn dood. Het is een verhaal dat, zonder opsmuk verteld, eigenlijk onverdraaglijk is. Doodziek door een gezwel op zijn knie liet hij zich in 1891 door inlandse dragers van Harar naar de kust brengen, een marteltocht van twaalf dagen. In Marseille werd zijn been afgezet. Zijn zuster bracht hem terug naar de boerderij van zijn moeder, waar hij een tijdje aanmodderde met een prothese. Hij was een menselijk wrak geworden. Afrika had van hem een uitgebluste oude man van zevenendertig gemaakt. Toen hij steeds zieker werd en voortdurend verpleegd moest worden, gaf hij opnieuw toe aan de impuls die zijn leven had geregeerd: hij vertrok. Harar was de bestemming, toen dat onmogelijk bleek, werd het Marseille - daar zou hij tenminste 'zon en warmte' vinden. Samen met zijn zuster nam hij de trein, terwijl hij al niet meer overeind kon blijven. Het vertrek werd geen reis. In de havenstad belandde hij in het ziekenhuis, waar hij op 10 november stierf.

Zijn zuster was bij hem, die laatste dagen, en in haar dagboek vermeldde ze dat haar broer op het nippertje nog het geloof machtig was geworden. Maar uit de rest van haar notities rijst het beeld op van een man die naakt en kwetsbaar tegenover de dood staat. Hij heeft niets meer, geen geloof, geen kunst, geen liefde. Zelfs de zon en warmte worden hem onthouden. Wanneer hij enkele dagen voor zijn dood vanuit de ziekenhuisbed buiten de zon ziet schijnen, roept hij tegen zijn zuster uit: 'Ik ga onder de grond, terwijl jij in de zon zult lopen!'

Er klinkt zuivere wanhoop in dat zinnetje door. Het was de waarheid.