Amerikaanse hegemonie heeft vulgaire trekken

De Verenigde Staten bouwen, ondanks zichzelf, aan een machtig wereldrijk, aldus Irving Kristol. Europa staat er bij en kijkt er naar, zonder de indruk te wekken dat het in de gaten heeft wat er gaande is.

Een dezer dagen zullen de Amerikanen tot het besef komen dat ze een imperialistische natie zijn, ook al verzetten hun publieke opinie en al hun politieke tradities zich tegen die gedachte. Dat Amerika dit lot ten deel valt, is niet te wijten aan eigen arrogant streven en evenmin aan een samenzwering van een clique van beleidsmakers. Het is zo gelopen omdat de wereld het wilde, het nodig had, en die behoefte heeft kenbaar gemaakt door middel van een lange reeks relatief kleine crises die alleen door een vorm van Amerikaanse bemoeienis konden worden opgelost. Wellicht is het Britse wereldrijk niet echt in een vlaag van verstrooidheid gevormd, zoals een prominent historicus eens heeft beweerd, maar de manier waarop thans een Amerikaans imperium - een toepasselijker term dan wereldrijk - tot stand is gekomen (en nog komt) lijkt inderdaad met een ontzaglijke dosis verstrooidheid gepaard te gaan.

De evolutie van de NAVO is hiervan een prachtige illustratie. De NAVO is geconcipieerd als een bondgenootschap van de Verenigde Staten en de grootste militaire mogendheden van West-Europa om de agressie van de Sovjet-Unie te stuiten. Maar niet-militaire landen zoals België, Nederland, Denemarken en Griekenland, die vreesden dat hun nationale belangen zouden worden genegeerd, wilden per se toetreden en dat mocht. Nu zijn Polen, Hongarije en Tsjechië bezig zich aan te sluiten, wat in de VS tot enige controverse leidt over de vraag of dat niet leidt tot onnodige 'provocatie' van Rusland. Maar de NAVO is in haar huidige gedaante, met of zonder die nieuwe aspirantleden, zo provocerend als een marmot.

De huidige betekenis van de NAVO is dat de VS de landen van Europa eenzijdig garandeert dat hun bestaande grenzen zullen worden beschermd tegen agressie. Dat is wat die landen in de eerste plaats verlangen. En welke prijs betaalt Europa in ruil voor die garantie? Niets, zo schijnt het - maar schijn bedriegt. Onder de oppervlakte, en heel geleidelijk, geven de landen van Europa heel veel prijs. Het is nu al een feit, al ontbreekt de aperte diplomatieke erkenning daarvan nog, dat geen Europees land nog een eigen buitenlands beleid kan - of eigenlijk: wil - voeren. Niets wijst er zelfs op dat de Europese landen een Europese buitenlandse politiek wensen, onafhankelijk van de VS Het zijn afhankelijke naties, al genieten ze een grote mate van plaatselijke autonomie. De term 'imperium' beschrijft deze mengeling van afhankelijkheid en autonomie.

Europa heeft op het ogenblik als enige ambitie het behoud, voor zover mogelijk, van zijn verzorgingsstaat en het doen van zo lucratief mogelijke zaken met de rest van de wereld. De militaire uitgaven in Europa blijven dalen en worden met steeds meer tegenzin gedaan. De militaire paraatheid is lamentabel, de bereidheid om geweld te gebruiken totaal afwezig - getuige de toestand in Bosnië, waar Europa pas wilde optreden toen de VS het voortouw namen. Patriottisme is er nog slechts een schim van wat het ooit was. En daarom neemt Europa er genoegen mee een quasi-autonoom protectoraat van de VS te zijn. Voorlopig eist Washington nog niet Europa's quasi-automatische instemming met het Amerikaanse buitenlands beleid. Maar de tendens in die richting zal onweerstaanbaar worden.

Voor Amerikanen is deze neergang van Europa - zijn aftocht als onafhankelijke factor in de wereldpolitiek - een droevige zaak. Ten slotte is Europa de moeder van de westerse beschaving, waarvan de VS een zijtak is. De meeste Europeanen schijnen te denken dat Europa ondanks zijn slinkende politieke rol een grote culturele kracht zal blijven. Maar de geschiedenis leert ons dat macht en cultuur doorgaans hand in hand gaan.

Nu al zijn er tekenen van culturele decadentie in Europa. Zijn verzorgingsstaat en de radicaal seculiere samenleving vormen allang geen voorbeeld meer voor de rest van de wereld, waar men economische groei hoger aanslaat dan 'sociale zekerheid', en waar religie een steeds vitalere rol gaat spelen. Europa lijkt er tegenwoordig genoegen mee te nemen een grotere versie van Zweden te worden - maar wie gaat in Zweden de sleutel tot de toekomst zoeken? Studenten waar ook ter wereld (ook in de VS) zijn tegenwoordig nauwelijks meer te motiveren voor het leren van een Europese taal, behalve Engels en Spaans, de talen van het westelijk halfrond. Op het Europese vasteland is het Engels overal de tweede taal.

Tijdens een kort bezoek aan Europa ontdekte ik onlangs dat Europeanen niet weten - en lijken niet te willen weten - wat hun overkomt. Ze zien nog altijd minzaam neer op de Verenigde Staten. Ze zijn ervan overtuigd dat het toenemende belang van religie in het Amerikaanse leven een tijdelijk modeverschijnsel is. Zelfs het evidente belang van godsdienst in de islamitische wereld kunnen ze niet serieus nemen - die beschouwen ze als een vorm van 'culturele achterstand'. Amerikanen die kennis willen nemen van dit sterk heersende, anachronistische eurocentrisme kunnen zich abonneren op The Economist, een uitmuntend geschreven, deftig tijdschrift dat wereldse taal spreekt, maar niet beseft hoe provinciaal het klinkt in de wereld van vandaag.

Niet alleen in Europa kan men het Amerikaanse imperium in wording zien. In Latijns Amerika, vanouds gekant tegen het yankee-imperialisme, begint men niettmin de legitimiteit van de Amerikaanse leidersrol in te zien. De uitbreiding van de vrijhandel tussen de VS en Mexico, waarin weldra ook andere Latijns-Amerikaanse landen zullen delen, is zeker geen louter commercieel verschijnsel. Vrijhandel wordt gevolgd door grote Amerikaanse investeringen, die Latijns Amerika hard nodig heeft, en die investeringen leiden onvermijdelijk tot een geleidelijke amerkanisering van populaire cultuur en leefwijze. Dit alles wordt nog vergemakkelijkt door de omvangrijke immigratie van Latijns-Amerikanen in de VS, zodat de amerikanisering gemakkelijk kan worden opgevat als een echte symbiose en niet als een soort 'overname'.

En dan is er nog Amerika's bemoeienis in Zuidoost-Azië. De landen in dit gebied zijn veel minder bang voor een betrekkelijk mild Amerikaans 'imperium' dan voor een mogelijke overheersing door China, dat historisch een hardhandiger aanpak kent. Dus betrekken zij de Verenigde Staten bij hun politiek, en die - het is immers een economisch en militair-strategisch belangrijk gebied - laten zich dit aanleunen.

Zo is er het feit dat de gebeurtenissen in Cambodja de afgelopen maanden veelvuldig de voorpagina's van de Amerikaanse media hebben gehaald. Hoe kon dat? De VS hebben immers geen commerciële belangen in Cambodja; het land is zelf niet van strategisch belang; en er is maar een enkele Amerikaan die het op de kaart kan aanwijzen. Maar Cambodja is wel van aanzienlijk belang voor de andere landen in Zuidoost-Azië - Indonesië, Maleisië, Singapore, Thailand, Birma en zelfs Vietnam - en zij hebben de betrokkenheid van Amerika nodig als tegendruk tegen China. Die betrokkenheid is al een feit, en het vermoeden rijst dat daarbij geen grote plannen of visies op hoog niveau in Washington een rol hebben gespeeld. Het lag eenvoudig het meest voor de hand. Een grote mogendheid kan ongemerkt tot verplichtingen geraken die het nooit expliciet is aangegaan.

De wereld heeft nooit eerder een dergelijk imperium gekend, en het is moeilijk er een oordeel over te vormen. In zijn voordeel spreekt dat het geen rijk van enkel dwang is, zoals gold voor het Europese imperialisme. Maar het heeft evenmin de ware zendingsdrang van het vroegere imperialisme, dat ernaar streefde tegelijk met het christendom ook de rechtsstaat te vestigen. (Amerika's zendelingen wonen in Hollywood.)

Wat het de wereld wel te bieden heeft is een groei-economie, een 'consumentistische' samenleving, populaire verkiezingen en een dominant seculier-hedonistisch ethos. Het is een combinatie waaraan men maar moeilijk weerstand biedt, maar die met haar populistische vulgariteit evenmin respect afdwingt. Het is een imperium met een minimum aan morele substantie. En al hebben de volkeren van de wereld er nu behoefte aan, het is de vraag hoe snel ze er hun bekomst van zullen krijgen.

    • Adjunct- van 'The Public Interest'
    • Irving Kristol