Versterven (1)

In NRC Handelsblad (16 augustus) opperen Pijnenburg en Vosman om het woord versterven maar te vergeten. De discussie over het versterven van demente bejaarden is immers te zeer een discussie geworden over euthanasie.

Nu wordt bij onenigheid over de betekenis van een term in de regel het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal geraadpleegd. Dat is bij de medisch-ethische discussie over het versterven opvallend achterwege gebleven. De betekenis van het begrip versterven reikt echter verder dan tot dusverre uit de discussie is gebleken.

Vanuit het perspectief van de zorgsector is bijvoorbeeld de gelatenheid die spreekt uit de brieven (uitgegeven in 1974 onder de titel 'Vrolijk versterven') van de negentiende-eeuwse schilder Gerard Bilders die op 26-jarige leeftijd overleed aan de tering, geen te accepteren verschijnsel, maar wel een probleem. Maar wellicht wordt in medische kring de fysieke conditie van de mens te zeer gezien als bepalend voor het denken, waardoor er weinig ruimte overblijft voor de geestelijke anatomie van de individuele mens.

De betekenis van de term versterven als het 'zich opzettelijk onthouden van aardse genoegens', waarbij het versterven een relatie krijgt met de (religieuze) ascese, is een perspectief dat tot dusverre vrijwel buiten beschouwing is gebleven.

Japi, de uitvreter van Nescio, had maar een wens: “Te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat”. Tegen Bavink zei hij: “Ik ben niks en ik doe niks. (...) Ik ben bezig te versterven. (...). 't Is jammer dat ik eten en slapen moet.”

Voor uitvreters als Japi is het daarom zaak om uit handen van zowel de zorgsector als de eigen familie te blijven.