Vele tonnen subsidie zonder behoorlijke verantwoording

Twee Surinaamse stichtingen hebben in het recente verleden vele tonnen aan subsidie gekregen van de gemeente Amsterdam. Verantwoording werd niet afgelegd, rekeningen werden niet betaald. J. Tjon A Ten, de centrale figuur in beide stichtingen: “Laat maar eens zien waar mijn handtekening onder staat”.

AMSTERDAM, 21 AUG. Bij nader inzien knaagt de twijfel bij oud-bestuursleden van de Stichting Projectondersteuning Suriname (SPS), zoals J. Boersma. Nooit heeft hij geweten, zegt de oud-minister van Sociale Zaken, dat hij voorzitter was van een stichting die 100.000 gulden aan gemeentelijke subsidie ontving. Nooit is hij ervan op de hoogte gesteld dat de stichting haar rekeningen niet betaalde. Nooit heeft iemand hem verteld dat de stichting niet was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. “Er bekruipt mij een zeer onprettig gevoel.”

Tweede-Kamerlid A. van der Stoel (VVD) wist ook van niets. Ze werd in 1991 bestuurslid van SPS, omdat ze net als andere Amsterdamse raadsleden iets goeds wilde doen voor Suriname. De stichting zou tweedehands boeken, gereedschap en kleding naar de 'allerarmsten' in Suriname sturen. In 1996 stapte ze met collega's T.O. Singh Varma en L. Balai uit het bestuur. “We kregen noch inzicht in de activiteiten noch in de financiën van de stichting. We konden onze verantwoordelijkheid als bestuurslid niet waarmaken”, zegt ze nu. Maar ook de Amsterdamse oud-burgemeester E. van Thijn, lid van het Comité van Aanbeveling van de Stichting, was niet goed geïnformeerd. “Ik was niet betrokken bij die stichting. Ik zat in zo veel comités van aanbeveling.” Alleen oud-bestuurslid W. Kout kent geen twijfel: hij vindt bijvoorbeeld inschrijving bij de Kamer van Koophandel een “onbelangrijk detail”. “We waren druk bezig met nobele dingen, dan kun je zoiets over het hoofd zien.”

De adjunct-directeur van het Amsterdams Gemeentevervoersbedrijf (GVB), J. Tjon A Ten, was de motor achter de stichting, vertellen alle betrokkenen. In zijn vrije tijd verzorgde hij de brochure, met de tekst: 'De stichting waarin bekende Amsterdammers zitting hebben', en regelde hij de hapjes voor de oprichtingsborrel. De gemeente stortte tweemaal 50.000 gulden, in 1992 en in 1993. Tjon A Ten nam ook de boekhouding op zich. Van der Stoel: “Dat was logisch: hij had contacten in Suriname en in de Surinaamse gemeenschap hier en zou mensen mobiliseren.”

Tjon A Ten zegt dat hij tot 1994 “mondeling en schriftelijk verslag deed” van de financiën van SPS bij de gemeente. Maar jaarrekeningen kan hij niet laten zien. Wethouder P. Krikke (Economische Zaken) laat weten dat dit onjuist is en zegt pas onlangs een eerste concept-jaarverslag (over vier jaar) te hebben gekregen. Dat zal ze op 2 september bespreken in de commissievergadering. Zo lang wachten met een jaarverslag is volgens haar “niet normaal”. Dat SPS nooit is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel - wat in strijd is met de Algemene Subsidieverordening Amsterdam - was een misverstand. zegt Tjon A Ten: de notaris zou er op toezien dat het gebeurde en niemand heeft dat vervolgens gecontroleerd.

Volgens Tjon A Ten besteedde hij de subsidie voor SPS “grotendeels” aan het vervoer en de distributie van de geschonken goederen. Onzin, zegt vervoerder Jos Steeman: “Tjon A Ten heeft mij opgelicht.” Hij toont verschepingsopdrachten namens SPS en bestrijdt dat hij ooit is betaald. Het gaat in totaal om 20.000 gulden. Steeman: “Als ik wees op betalingsafspraken, zei Tjon A Ten 'Jos, doe niet zo kinderachtig, dit is een sociaal project'. Als iemand geen cent heeft, laat ik het wel eens lopen, maar ik bepaal zelf wanneer ik dat doe.”

Zijn verschepingsopdrachten namens SPS kreeg Steeman de ene keer van deelraadslid M. Esajas in Amsterdam Zuid-Oost, dan weer van N. Gonsalves ook werkzaam bij dat stadsdeel of van Tjon A Ten zelf. Steeman: “Ik verscheep al twintig jaar naar Suriname, iedereen weet dat ik alleen gratis vervoer, als ik dat van te voren heb afgesproken. Zo niet, dan vervoer ik niets, tenzij je je voorgaande rekeningen hebt betaald.” Anderhalf jaar lang stuurde Steeman aanmaningen, gevolgd door compromis-prijzen en weer door aanmaningen naar Tjon A Ten. “Laat maar zien waar mijn handtekening onder staat”, zo reageert Tjon A Ten. “Bovendien kent Jos me goed, hij weet me te vinden.” Bestuursleden zijn persoonlijk aansprakelijk als een stichting niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dus nu wil Steeman Tjon A Ten persoonlijk voor de rechter dagen.

Van Thijn: “Als dit allemaal waar is, dan moet het huidige college een onderzoek instellen naar nalatigheid of erger.”

“De SPS kreeg veel aanvragen uit Suriname, we werden er gek van”, zegt Tjon A Ten. Hij regelde de verscheping voor SPS. Tot 1994. Toen brak de hel los bij het GVB. Het bedrijf bleek grote tekorten te hebben, de boekhouding was gebrekkig, de eén na de andere externe commissie keek er naar. Directeur B. Smit vertrok uit onvrede over bezuinigingen. Tijdens het bewind van Tjon A Ten als interim-directeur, in 1996, kwam naar buiten dat GVB-topambtenaren in 1995 miljoenenfraude hadden gepleegd. “Toen ik dit ontdekte en de eindverantwoordelijkheid kreeg, heb ik daarvan aangifte gedaan bij de politie”, zegt hij. Het GVB is nog steeds noodlijdend. Tjon A Ten is weer adjunct-directeur, maar heeft zijn handen nog vol. “U begrijpt dat mijn aandacht de laatste jaren alleen naar dit bedrijf uitging.”

Tjon A Ten is sinds 1990 ook penningmeester bij de Stichting Cultureel Jongerencentrum Kwakoe, die al eerder in opspraak kwam door de financiële chaos die er heerst. Voor de organisatie van het Surinaamse Kwakoe-festival en het runnen van een jongerencentrum, kreeg Kwakoe jaarlijks 510.000 gulden gemeentelijke subsidie, van begin jaren tachtig tot eind vorig jaar. Jaarcijfers kwamen er van Kwakoe wel, maar nooit de vereiste goedkeurende accountantsverklaring. “We hebben vaak om zo'n verklaring gevraagd maar niet gekregen. In een aantal financiële posten, zoals de 'activiteiten', kregen we dan ook nooit inzicht”, aldus de voormalige wijkwethouder E. van de Burg. Volgens Tjon A Ten heeft hij deelraadsleden vaak uitgenodigd om naar de activiteiten te komen kijken. Voorzitter Kout, ook oud-bestuurslid bij de al eerder genoemde Stichting Projectondersteuning Suriname, wijst erop dat het bij de post 'activiteiten' slechts om 50.000 gulden per jaar ging.

Het Kwakoe-festival maakte jaarlijks schulden ter waarde van honderdduizenden guldens. Dit ging door na het aantreden van Tjon A Ten. “Als er schulden waren, dan is dit omdat we met tweehonderd amateurs dit festival organiseerden. Daar ben ik trots op, omdat dat het karakter van het festival bepaalt”, zegt hij. Hij is toch geen amateur? “Ik ben niet in mijn eentje Kwakoe”, aldus Tjon A Ten.

De gemeente saneerde vóór 1987 twee maal de schulden van Kwakoe. In dat jaar ontstond het 'stadsdeel Zuid-Oost', waarna de wijkwethouder Groen (GroenLinks) in 1991 de subsidie wilde stopzetten. “Kwakoe vroeg weer om schuldsanering”, zo verklaart Groen dat. Het jongerenwerk moest ook maar eens gereorganiseerd worden. Het lukte haar niet. “De verkiezingen kwamen eraan en de Surinaamse gemeenschap is een belangrijke kiezersgroep in Zuid-Oost”, zegt Groen nu. “Bovendien kreeg ik het verwijt 'dat ik zo nodig een zwarte organisatie moest pakken' - meestal van de mensen die moesten afrekenen”, aldus Groen. “Ik zei altijd: 'Zwart of wit doet niet terzake. Een peuterspeelzaal moet zijn 37.000 gulden tot op de cent verantwoorden, dus u moet dat ook, zeker met zo'n groot bedrag'.” De subsidie bleef, met als voorwaarde dat Kwakoe zelf in termijnen haar schulden moest afbetalen. Anno 1997 heeft Kwakoe nog steeds schulden. “We overleggen met de deelraad wat we daarmee moeten”, aldus Kout.

Volgens Groens opvolger, Van de Burg, die tot 1997 deelraadswethouder was, accepteerde de raad “bij andere instellingen minder dan bij Kwakoe”. Er was sprake van politieke correctheid, erkent hij. Hij wijst erop dat Kwakoe “een grote symbolische functie heeft voor de Surinaamse gemeenschap in de Bijlmer”. Maar hoe konden politici zoveel financiële chaos voor lief nemen? Van de Burg: “De raad vond dat er iets moest gebeuren, maar deed niets.”