Scheurbuik, ruzies en vele doden

Het Nederlands Scheepvaartmuseum herdenkt de terugkeer van de eerste Schipvaart naar Oost-Indië met een kleine tentoonstelling. Schippers en stuurlieden hadden alleen de beschikking over kaarten, reisbeschrijvingen en geheime aantekeningen van de Portugezen.

Scheepvaartmuseum Amsterdam, tentoonstelling Eerste reis naar de Oost, 1595-1597 tot 14 september. Kattenburgerplein 1, op loopafstand van CS. Open di t/m za 10-17u. Zon- en feestdagen 12-17u. T/m 8 sept ook ma open 10-17u. Toegang ƒ 12,50, met museumkaart gratis, 65+ ƒ 10.

Het boek 'Om de Zuid' is verschenen bij uitgeverij SUN, 247 blz, ƒ 34,50

Of er uitbundig werd gevlagd bij Texel die 14de augustus 1597 en of de kanonnen bulderden en de trompetten schetterden is de vraag. Drie schepen liepen binnen na een reis van twee jaar, de bemanning was gereduceerd van 249 tot 89 koppen en wie de terugkeer beleefde was volkomen uitgeput.

De opdracht van deze expeditie was het vinden van de zeeroute naar Azië. Die was al een eeuw bekend bij de Portugezen, maar in Nederland waren plannen gerezen om nu ook zelf die route te vinden. Er was voldoende kapitaal, commercieel inzicht en navigatie-expertise om aan dit waagstuk te beginnen.

Een aantal gefortuneerde Hollandse en Zeeuwse kooplieden hadden de koppen en de beurzen bij elkaar gestoken en besloten tezamen een expeditie te financieren. Vier schepen werden gebouwd; er werden manschappen geworven en zo, goed bewapend, voorzien van de meest recente nautische informatie, zeilden de schepen uit, onder commando van Cornelis de Houtman. Via Kaap de Goede Hoop moesten ze naar Bantam op Java varen, een van de grootste internationale markten in Azië, daar handelscontacten aanknopen en vandaar doorzeilen naar de Molukken.

Tot Kaap de Goede Hoop verliep de reis goed, daarna liep alles tegen. De scheurbuik sloeg toe, de bevelhebbers kregen ruzie en men was gedwongen een half jaar op adem te komen op Madagascar. Daar kostten schermutselingen met inlanders nog enkele doden. Na een half jaar was de helft van de opvarenden overleden. Toen eindelijk Bantam werd bereikt bleken de Nederlanders niet uit te blinken in diplomatieke gaven. De Houtman werd zelfs gevangen gezet en het kwam tot gewapende conflicten met de Javanen. Op het nippertje kon nog wel wat peper worden ingekocht. Na hevige ruzies besloot men niet door te varen naar de Molukken, de plek waar de specerijen direct betrokken zouden kunnen worden. Omdat de bemanningen zo uitgedund waren stak men, voor de terugreis, één van de eigen schepen in brand.

Die augustusdag van 400 jaar geleden zal door de overlevenden met gemengde gevoelens zijn beleefd. Zoveel kameraden verloren, zelf zo sterk verzwakt, en dat alles voor wat peper. Maar de directeuren van de Compagnie konden zich in de handen wrijven. Men wist nu tenminste hoe in Bantam te komen en het duurde dan ook niet lang of nieuwe compagnieën werden opgericht die alle naar Java voeren, of nog verder, naar de Molukken. Het succes was zo groot dat ze elkaar in de weg begonnen te lopen. Dankzij de diplomatieke gaven van Johan van Oldenbarnevelt kwam het in 1602 tot een afgedwongen fusie. Het bedrijf dat toen ontstond zou bijna twee eeuwen succesvol op deze route varen: de VOC.

Een curieus schilderij op de tentoonstelling in het Scheepvaartmuseum stelt een breed panorama voor van de haven van Amsterdam omstreeks 1600, vol vlaggende schepen. Het is een vrij onbekend anoniem werk dat zijn leven slijt in de Oude Kerk. Maar wat stelt het voor? Waarom wordt daar zo uitbundig gevlagd? En hangt het hier terecht? Er zijn drie schepen van De Houtmans vloot te onderscheiden: De Hollandia, de Amsterdam en de Mauritius. Maar verliep het vertrek van zo'n ongewisse expeditie wel met zoveel feestgedruis? Is het dan de terugkeer? Maar dan zou de Amsterdam er niet op voor moeten komen, het schip dat bij Java in brand werd gestoken.

De terugkeer was groot nieuws in Nederland. In het jaar van de terugkeer verscheen in Middelburg al een kort verslag van de reis, maar in 1598 kwam in Amsterdam het verslag uit van een van de kooplieden, Willem Lodewycksz. Deze Historie van Indien was uitvoerig geïllustreerd en er verschenen vertalingen in het Latijn en in het Frans. Aan het begin van deze eeuw werd deze tekst zwaar geannoteerd al eens heruitgegeven door de Linschoten-Vereeniging. Nu is er een nieuwe editie verschenen in modern Nederlands, en van een inleiding en annotaties voorzien door Vibeke Roeper en Diederick Wildeman.

Het is een levendig verhaal waarin goed te lezen valt hoe nieuw en wonderbaarlijk die gewesten waren in de ogen van die Hollandse schepelingen. De auteur wisselde het verslag van de reis voortdurend af met informatieve hoofdstukken over de landen waar men aan wal was gegaan. Bewoners, flora en fauna van Madagascar, Sumatra, Java en Bali worden beschreven, met oog voor de commerciële mogelijkheden uiteraard. En hoewel dit een historisch gezien uitermate belangrijke reis is geweest, die volop dramatische elementen heeft gekend, schrijft Lodewycksz opvallend nuchter en verliest hij zich zelden in religieuze exclamaties zoals bijvoorbeeld schipper Bontekoe dat een paar decennia later zou doen. Over de terugkeer lezen we niets anders dan: 'eindelijk brachten zij ook dat laatste schip binnen na een reis vol angsten en gevaar, waarvoor de Almachtige Heer ons heeft bewaard'. Het boek is geïllustreerd met de oorspronkelijke gravures.