President Iran boekt eerste overwinning

De nieuwe Iraanse president, Khatami, kreeg gisteren tegen veler verwachting in de goedkeuring van het parlement voor zijn voltallige ministersploeg. Daarmee won hij de eerste slag in de strijd tegen het conservatieve kamp om een vrijere samenleving in Iran.

AMSTERDAM, 21 AUG. Voor de tweede maal in drie maanden tijd verraste hojatoleslam Mohammad Khatami Iran en de wereld. In mei werd hij, tegen de uitdrukkelijke wil van het clericale establishment, met een overweldigende meerderheid (69 procent van de kiezers) tot Irans nieuwe president gekozen. En gisteren gaf de majlis, het Iraanse parlement, zijn goedkeuring aan Khatami's voltallige ministersploeg.

Het zag er de afgelopen dagen zorgelijk uit voor zeker drie door Khatami benoemde ministers: Ataollah Mohajerani op Cultuur en Islamitische Leiding, Abdollah Nouri op Binnenlandse Zaken, en Kamal Kharazzi op Buitenlandse Zaken. De sociaal-conservatieven binnen de geestelijkheid vinden hen doodeng. Algemeen werd verwacht dat zij zouden worden 'afgeschoten' door de sociaal-conservatieven, die immers de grootste fractie binnen de majlis hebben - zo'n 140 van de in totaal 270 afgevaardigden.

Die verwachting werd versterkt toen de kranten onder hun leiding een felle campagne lanceerden tegen vooral Mohajerani, omdat deze zich een paar jaar geleden voor een dialoog met de VS had uitgesproken. Zo'n figuur zou “schadelijk zijn voor het buitenlandse imago van de regering”, schreef vorige week het conservatieve avondblad Resalat, dat die mening nog eens dreigend onderstreepte met de woorden: “We zullen (na zijn benoeming) zijn rotzooi moeten opruimen.”

Maar de aldus onder vuur genomen kandidaat-ministers lieten zich niet van de wijs brengen. Zij bleven op hun stuk staan. Zo zei Mohajerani gisteren: “Ik veroordeel het in brand steken van boekwinkels, het molesteren van universiteitsdocenten en het aanvallen van kantoren waar tijdschriften worden gemaakt.” Dat was een directe aanval op al die zeer hoge machthebbers die zich van gewapende groepen bedienen om afwijkingen in de leer hardhandig af te straffen. Daardoor werd de beroemde filosoof Sorush gedwongen zijn land te ontvluchten. Hij zette, ook tijdens zijn colleges, zeer behoedzaam vraagtekens bij de leer van de velayat fagigh (de uiteindelijke alleenheerschappij van de beste, meest deskundige en meest voorbeeldige geestelijke). Terecht zien de huidige machthebbers elke discussie over dit heiligste, door imam Khomeiny geïntroduceerde beginsel van de Islamitische Republiek als een gevaarlijke aantasting van hun eigen macht.

Ook de altijd bedaarde president Khatami week geen stap. Hij verdedigde met verve zijn aangevallen kandidaat-ministers, die door een aantal afgevaardigden als “op cultureel gebied te tolerant en op politiek gebied te week tegenover het Westen” werden afgeschilderd. Na afloop van de stemming zei Khatami voor de staatstelevisie: “We zullen stap voor stap doorgaan met ons programma.”

Dat programma is op cultureel en politiek gebied bekend: veel meer vrijheid voor schrijvers en kunstenaars, grotere vrijheid van meningsuiting voor de bevolking en de invoering van politieke partijen. Op sociaal-economisch gebied is het programma daarentegen zeer vaag. Dat kan ook niet anders omdat Khatami's actieve politieke achterban bestaat uit stromingen die elkaar vijandig gezind zijn. Aan de ene kant de radicaal-conservatieve geestelijkheid die het voor de mustazafin (de Verdrukten op Aarde) opneemt, niets moet hebben van vergaande economische liberalisering en gekant is tegen elke toenadering tot de VS. Aan de andere kant de sociaal-liberalen die een dialoog met de VS noodzakelijk vinden en naar minder macht streven voor de bonyads. Deze islamitische stichtingen werden na de Revolutie opgericht met het miljarden-kapitaal van de gevluchte of verdreven taghuti's (de sjah-gezinde aanhangers van Satan) ten behoeve van de Verdrukten op Aarde. Maar al snel verwierven zij economische monopolie-posities ten behoeve van de machtigen. Zij staan boven de wet en worden alleen door ayatollah Khamenei, de Leider, gecontroleerd.

Deze Leider moest vóór het debat in de majlis beslissen hoe hij en zijn aanhang zich tegenover president Khatami zouden opstellen. Hij wist dat hij Khatami's verkiezingsoverwinning van mei niet zomaar kon negeren. Want die overwinning was mogelijk gemaakt door de 'kinderen van de Revolutie', wier levensomstandigheden en toekomstmogelijkheden van jaar tot jaar verslechteren. Zij willen geen Westerse democratie, maar meer persoonlijke vrijheid, minder willekeur van de overheid en betere kansen voor hen en hun kinderen.

Het was duidelijk dat de Verdrukten op Aarde met hun stem op Khatami veranderingen eisten. Dus gaf de Leider, Khamenei, “zijn” mensen in de majlis opdracht om vooralsnog Khatami niet voor de voeten te lopen. Eén van hen legde uit: “Zolang wij onze Opperste Leider hebben, hoeven wij niets te vrezen. Als een minister mocht afdwalen, zal de Leider hem als een slangenbezweerder onder controle krijgen.”

De Leider stelde dan ook meteen de grenzen. In een van zijn hardste speeches van de afgelopen jaren zei hij voor een gezelschap van vroegere krijgsgevangenen en anderen die zwaar onder de oorlog met Irak hadden geleden, dat elke dialoog met Amerika uitgesloten was. Voor het eerst gebruikte hij weer het bijna vergeten scheldwoord voor de VS - Taghout, Satan. De president mag met andere woorden op buitenlands politiek gebied de koers niet veranderen.

Voorlopig zal Khatami dat ook niet proberen. Hij heeft al meer dan genoeg aan zijn hoofd om althans een deel van zijn verkiezingsbeloften waar te maken: “respect voor de wet en meer doorzichtigheid in de politieke en economische besluitvorming”. Hij heeft haast. Alleen al de komende vijf jaar zal hij 10 tot 15 miljoen arbeidsplaatsen moeten scheppen om het leven draaglijker te maken. Hij heeft opnieuw een slag gewonnen, maar de strijd gaat door.