In Liefde Bloeyende

Jacobus Bellamy (1757-1786)

De Dood

Gelijk een man, die van verlangen gloeit

om bij zijn vriend te zijn

Die op het land, aan de and're zij des meirs

zijn stille woonplaats heeft;

op 't zien der zee, die hevig bruischt en woedt

Een koude sidd'ring voelt;

zijn angstig oog ziet staarend op het schip

dat sling'rend rijst en daalt;

De stormwind giert en snort door 't hooge tuig

en beukt het dond'rend zeil;

De stuurman wenkt - de man verwint zijn schrik

Hij denkt aan zijnen vriend

en stapt gerust in 't worstelende schip

En steekt naar de and're zij!

Zoo zal ik ook, wanneer de koude hand

des doods, mijn boezem drukt

een ligte schrik gevoelen in mijn ziel;

doch, die verdwijnen zal

zoo dra ik denk aan mijn onsterflijkheid

En Jezus onzen vriend.

Liederen over Jezus kunnen opwekkend zijn. Als ik in een neerslachtige bui verkeer en me onbespied waan (het laatste is doorslaggevender dan het eerste) wil ik het wel eens uitschallen, zodat de omgeving ervan davert -

Is uw leven vol kommer en zorgen

Zeg het aan Jezus, zeg het aan Jezus

Als daar vrees is voor de dag van morgen

Zeg het aan Jezus alleen! - je kikkert ervan op, verdomd als het niet waar is. Echte poëzie zijn zulke liederen meestal niet. Het is met Jezus in de poëzie als met hutspot in de poëzie of met boerenschoenen in de poëzie: als het gedicht goed is accepteren we elk onderwerp.

Je kunt het ook van de andere kant benaderen. Er is, ondanks onze meer dan gerechtvaardigde huiver voor godsdienstige poëzie, geen enkele reden om aan te nemen dat Jezus niet in een gedicht zou kunnen figureren. In een gedicht, wel te verstaan, dat ook niet-christenen bewondering afdwingt.

De Dood van Jacobus Bellamy is zo'n gedicht. We hebben aanvankelijk niet eens door dat het straks over Jezus zal gaan. En zelfs als Jezus in de laatste regel opduikt en alles overschaduwt doet dat met terugwerkende kracht geen spat af aan onze bewondering voor het gedicht.

Gelijk een man, die van verlangen gloeit

om bij zijn vriend te zijn - - wat een inzet is dat. Mannen gloeien doorgaans van verlangen naar geld, naar aanzien, naar politieke macht. Van verlangen gloeien om bij je vriend te zijn, we beseffen meteen dat het hier gaat om een gedicht dat van warmte spreekt en van het streven naar gezelschap. Van levenslust. Het betreft een vriend die aan de andere kant van de zee in afzondering leeft. Daarmee houden de moeilijkheden om hem te bereiken niet op. Bellamy laat de hindernissen staccato escaleren - eerst is er de siddering ten overstaan van de kolkende zee, dan wordt de man angstig het slingerende schip gewaar en vervolgens is er de wind die hoog over alles heen giert. Ruimte, benauwenis, kou en vernielzucht - alles wat schrikbarend is wordt uitgemeten. De stuurman wenkt, maar het is niet door de wenk van die stuurman dat de reiziger op zijn gemak wordt gesteld: alleen de gedachte aan zijn vriend maakt dat hij met een gerust hart oversteekt.

Pas dan volgt het tweede deel van de homerische vergelijking, de hij wordt een ik, het algemene wordt op het persoonlijke betrokken -

Zoo zal ik ook, wanneer de koude hand

des doods, mijn boezem drukt

een ligte schrik gevoelen in mijn ziel;

- pas dan ook begrijpen we in volle klaarte dat de wenk van de stuurman het teken van de dood was. Onmiddellijk treft en ontroert ons daarbij de reikwijdte van Bellamy's uitdrukking een lichte schrik.

Ja, ja, lichte schrik, denken we.

Hoe zwaar de schrik van de dichter zal zijn kunnen we afleiden uit het eerste deel van de vergelijking. Hevig, koude siddering, angstig oog, gieren en snorren, donderend zeil. We herinneren ons elk woord nog. Natuurlijk stelde die stuurman niet gerust.

Achtentwintig jaar is Bellamy geworden. “Kleyn! ik ga sterven. Ik leef geen twee jaren meer. Ik voel de dood reeds door mijn aderen woelen”, zei hij op zekere dag tot zijn vriend Kleyn. Het staat te lezen in de Gedenkzuil op het graf van Jakobus Bellamij (1822). Twee jaar na deze woorden was hij dood. Gestorven, letterlijk, in de armen van een vriend. Uit dezelfde Gedenkzuil vernemen we hoe hij op zijn sterfbed te kennen gaf - ondanks zijn piëtistische geloof - hoe graag hij was blijven leven. Van der Palm noemt De Dood, dat in zijn bijdrage aan de Gedenkzuil voor het eerst wordt geciteerd en daar aan den Dood heet, waarschijnlijk Bellamy's 'laatste gedicht', kort voor zijn dood geschreven. Het is een gedicht over de dood door een ooggetuige. Het is een gedicht over doodsangst. Het schreeuwt de twijfel tussen het aardse en het eeuwige achter de hoopvolle woorden woordeloos uit. Het beoogt wonderlijk troostend te zijn met zijn beeld van warme vriendschap over de drempel heen, maar het behoudt bij iedere herlezing zijn nasmaak van tragiek. Dat maakt het zo groots.