Heroïneverstrekking

TWINTIG JAAR wordt er in dit land al gedelibereerd over de verstrekking van heroïne aan zwaarverslaafde junks waarmee minister Borst (Volksgezondheid) nu een omstreden experiment wil beginnen. Van meet af aan is verstrekking van heroïne goed voor veel spraakverwarring, zoals het weekblad HP in 1977 treffend kopte.

Dat begint al met termen als “vrije” of “gratis” heroïne. Op de keper beschouwd zijn deze net zo min op hun plaats als de aanduiding “gratis insuline” voor suikerpatiënten. Het gaat om “ambulante heroïnetherapie”, zoals een rapport aan de regering het ooit uitdrukte, met een nadruk op hulpverlening aan ernstig ontredderde mensen - inclusief een duidelijk behandelingskader.

Ook juridisch gezien is een therapeutisch element onontbeerlijk om zelfs maar over verstrekking te kunnen denken. De internationale drugsverdragen waaraan Nederland is gebonden, zijn streng. Wel voorzien zij in uitzonderingen voor medische behandeling. Dit levert slechts een nieuwe complicatie. Zijn er wel precieze medische indicaties voor heroïneverstrekking te formuleren? Of gaat het eigenlijk om bestrijding van criminaliteit en overlast door gebruikers in een ander jasje?

IN HET VOORGENOMEN experiment staat de individuele behandeling voorop en valt een drukkend effect op de last voor de omgeving in de categorie “mooi meegenomen”. Maar in de bestuurlijke en politieke afwegingen over heroïneverstrekking liggen deze verschillende aspecten veel dichter bij elkaar. Ook al waarschuwen deskundigen geen wonderen te verwachten; bij veel geharde junkies zijn vormen van deviant of crimineel gedrag voorafgegaan aan hun verslaving, zodat het maar de vraag is of een verstrekkingsprogramma hen daar werkelijk vanafbrengt.

De verstrekking zelf levert haar eigen complicaties op. De doelgroep wordt gekenmerkt door het zogeheten junkiesyndroom van liegen en manipuleren en dat brengt het risico met zich mee dat men zal proberen met de verstrekte drugs te handelen (zoals met het vervangingsmiddel methadon al gebeurt). Daarnaast is er het fenomeen van het polydrugsgebruik bij langdurig verslaafden.

AL MET AL zijn er de nodige vraagtekens te plaatsen bij heroïneverstrekking. Positieve ervaringen in Zwitserland zijn echter een reden deze optie niet zonder meer af te schrijven. In Nederland vormt de veroudering van de verslaafdenpopulatie een speciaal argument om te proberen langdurige gebruikers aan het eind van hun carrière op individuele basis te helpen ontkomen aan de ergste verloedering. Maar het blijft moeilijk, zodat het begrijpelijk is dat de politieke besluitvormers in Den Haag zich willen beperken tot een experiment.

Zelfs deze keuze is nu toch weer onzeker doordat de VVD grote bezwaren aankondigt tegen een omvang van 750 deelnemers (op een potentieel van 8.000). Deze regeringspartij loopt van oudsher niet warm voor de gedachte van verstrekking. Toch was het een van haar prominente leden (de fractievoorzitter in de Amsterdamse gemeenteraad en het latere Kamerlid Jacobse) die als een van de eersten met voorstellen in deze richting kwam, later gesteund door het wetenschappelijk bureau van de VVD. Maar VVD-minister van Justitie Korthals Altes, nu voorzitter van de Eerste Kamer, was mordicus tegen “staatsheroïne”.

DE BEZWAREN tegen de omvang van het experiment lijken nogal gezocht. Wanneer de politiek de knoop niet zelf wenst door te hakken maar besluit tot een wetenschappelijk experiment, dan dient zij ook de regels van dit spel te volgen. Een bezwaar tegen de inmiddels geheel ingeburgerde praktijk van de methadonverstrekking aan verslaafden is nu juist dat zij nooit wetenschappelijk afdoende is geëvalueerd.

Het aantal van 750 is volgens statistici nodig voor een betrouwbaar antwoord op de diverse onderzoeksvragen. Hoogstens kan het nog de vraag zijn of deze vragen werkelijk tegelijk aan bod moeten komen en of niet een gefaseerde opzet van het experiment mogelijk is. En in elk geval is het een reële vraag hoe minister Borst de verstrekking precies denkt te beëindigen wanneer een proef van deze omvang onverhoopt misloopt.