Wetenschappelijk rendement Mir daalt

Het ruimtestation Mir heeft een schat aan wetenschappelijke gegevens opgeleverd. Maar veel van de huidige experimenten kunnen ook vanuit een onbemand ruimteschip worden gedaan.

ROTTERDAM, 20 AUG. Terwijl het gehavende Russische ruimtestation Mir aan de hemel zijn rondjes draait, zich van incident naar incident slepend, rijst vanzelf de vraag: wat doet het daar eigenlijk, waaraan ontleent een bemande ruimtemissie met een zo lange duur haar bestaansrecht?

“De Mir is vooral gebouwd om het Russische ruimtevaartprogramma prestige te verlenen”, zegt prof.dr. J.A.M. Bleeker, algemeen directeur van de SRON, de Stichting Ruimteonderzoek Nederland. “Met een permanent bewoond ruimtestation hebben de Russen de Amerikanen de loef afgestoken. De elf jaar dat de Mir nu operationeel is heeft een schat aan gegevens opgeleverd over het gedrag van de mens in de ruimte, fysiologisch zowel als psychisch. Dat is niet alleen wetenschappelijk interessant, die kennis is onontbeerlijk als we een bemande ruimtevlucht naar Mars willen ondernemen, zoals de Amerikanen van plan zijn, of als we ons in de toekomst nog eens semi-permanent op de maan willen vestigen.”

Daarnaast is de Mir gebruikt voor tal van wetenschappelijke experimenten die tegen betaling ook open staan voor buitenlandse onderzoekers. Zo is de Mir gebruikt voor Nederlands onderzoek op astrofysisch en biologisch terrein. Bleeker: “Dat heeft heel interessante resultaten opgeleverd. Wijzelf hebben in de Kvant-1 module, die in 1987 aan de Mir gekoppeld is, een röntgencamera uitgetest. Die was bedoeld als voorloper van de SAX, de Italiaans-Nederlandse satelliet die onlangs mysterieuze, zeer krachtige röntgenflitsen in het heelal wist te lokaliseren. Met die camera op de Mir hebben de Russen indertijd nog een huzarenstukje uitgehaald. Een defect aan de elektrische voeding hebben ze via een ter plekke geïmproviseerde ruimtewandeling weten te herstellen.”

Bleeker benadrukt dat wetenschappelijke experimenten een bijkomend voordeel zijn van de Mir. “Stel je jezelf de vraag of je speciaal een bemand ruimtestation zou bouwen voor dergelijke astrofysische experimenten, of voor duurproeven onder condities van microgewicht, dan is het antwoord: nee.”

“Dat kan tegenwoordig heel makkelijk ook onbemand. Maar omdat de Mir is gebouwd met technologie daterend van eind jaren zeventig, is de rekenkracht aan boord beperkt, evenals de mate waarin automatisering is toegepast. Daarom moet de bemanning veel handelingen verrichten die nu door robots gedaan zouden kunnen worden. Daar staat tegenover dat een robot een onverwachte situatie niet creatief kan inschatten.”

De laatste jaren is het wetenschappelijk rendement van de Mir beperkt, meent Bleeker. “Vanuit wetenschappelijk oogpunt valt zo'n kolossale onderneming nauwelijks te beargumenteren. Maar er zit een andere kant aan de medaille: bemande ruimtevaart heeft iets fascinerends. Er gaat een geweldige uitstraling van uit, ook op de jeugd, en dat wakkert de belangstelling aan voor de natuurwetenschappen. Ook geeft de bemande ruimtevaart een belangrijke impuls aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Dit industriële belang, gevoegd bij werkgelegenheid in een hoogwaardige sector, maakt de investering in een ruimtestation misschien alsnog verantwoord. En niet uit te sluiten is dat onderzoek bij langdurige gewichtsloosheid nog eens tot wetenschappelijke doorbraken leidt.”

Het probleem met permanente ruimtestations is dat ze naast alle aanloopkosten ook onderhoud vergen. Bleeker: “Die 40 miljard dollar voor het toekomstige internationale ruimtestation Alpha mag vanuit industrieel oogpunt verantwoord lijken, zodra de nieuwigheid er af is trekken die bedrijven zich wel mooi terug.”

“Dan zit je met de levensgrote vraag waar die een één à twee miljard per jaar aan benodigde exploitatiegelden vandaan moet komen. Dat gaat absoluut ten koste van de butgetten voor ander ruimteonderzoek.”

“Wat dat betreft”, aldus Bleeker, “verschilt de situatie bij de bemande ruimtestations totaal van die bij het Apollo-project. Ook toen ging het om politiek prestige en stond de investering in geen verhouding tot het wetenschappelijke rendement - al hebben we er veel van geleerd. Maar toen de laatste Apollo gevlogen had was het daarmee ook klaar.”