Shlomo Mintz nobel en gloedvol op de viool

Concert: Shlomo Mintz (viool), Itamar Golan (piano). Programma: Schubert, Brahms, Elgar. Gehoord: 18/8 Concertgebouw Amsterdam.

Het lijkt een wonderlijke hutsepot: veel noten van Brahms en Schumann, een snufje salonmuziek en hand vol Spaanse kruiden. Toch smeedde Sir Edward Elgar, die niet voor niets wel eens de Engelse Brahms wordt genoemd, deze ingrediënten in 1918 aaneen tot een indrukwekkende compositie: de Sonate in e, op. 82 voor viool en piano. Dat dit werk zelden of nooit wordt uitgevoerd, heeft vermoedelijk te maken met de hoge eisen die Elgar stelt aan het vormgevoel van de uitvoerder. Elgars Sonate in e moet als in één adem worden verklankt, elke neiging tot detaillisme doet het stuk uiteenvallen in nietzeggende clichés.

Shlomo Mintz, misschien wel de grootste muzikale architect onder de violisten van zijn generatie, deed precies wat nodig was om Elgar te laten herleven. Met zijn nobele, gloedvolle en rijkgeschakeerde toon liet hij Elgars melodieën opbloeien en woekeren als wilde rozen, woest en vol passie, gestroomlijnd volgens de eeuwige wetten van de natuur. Temidden van al die pracht kregen Elgars vreemde, quasi-ironische onderbrekingen - naar het schijnt liet hij zich inspireren door oude bomen, die 'bij het vallen van de avond lijken te wenken met hun takken, en op een spottende manier hun magere armen opheffen' - een vanzelfsprekende plaats, even gewoon en onvermijdelijk als de stekelige ordeverstoring van brandnetels in een botanische tuin. Itamar Golan, die in het verloop van het recital steeds meer muzikale partner en minder alleen maar pianobegeleider werd, ondersteunde het magistrale vioolspel van Mintz met op scherp afgestelde voelhorens en een verrassende flexibiliteit. Alleen zijn toucher bleef, ondanks alle inspanningen, een beetje dof en onpersoonlijk klinken. Maar misschien leed ook de vleugel onder de drukkende hitte binnen en buiten de zaal?

Viel Mintz met zijn gepolijste vertolking van Schuberts Sonatine in D, waarmee hij zijn recital opende, nog van enige routinematigheid te verdenken, zijn schitterende verklankingen van de Tweede sonate en het Scherzo in c van Brahms, drongen door tot de diepst mogelijke kern van de muziek. De gave van Mintz om alles zonder onderbrekingen op te bouwen vanuit de melodie, waarbij de hele partituur in een almaar dóórzingende 'unendliche Melodie' wordt vertaald, is uniek en plaatst hem aan de top van de violistische Olympus. Met zijn toegiften van Dvorak en Kreisler bewees de edele en voorname Mintz echter ook in staat te zijn tot een vermakelijke muzikale losbandigheid.