Op naar een nieuw belastingstelsel

Staatssecretaris Vermeend (Financiën) kondigde het met veel bravoure aan: een nieuw belastingstelsel voor de 21ste eeuw. Met het iets te vaak opgelapte oude stelsel kunnen we niet verder, zo stelde de bewindsman een jaar geleden. De scepsis waarmee de fiscale wereld reageerde is niet vreemd.

Vertoont niet elke staatssecretaris van Financiën eens in zijn loopbaan de neiging iets groots tot stand te brengen? Maar de contouren van de plannen zoals die zich nu aftekenen houden een voorzichtige belofte voor een daadwerkelijke verbetering in.

Het huidige stelsel kent twee grote problemen. Het eerste is de zware belasting- en premiedruk op arbeidsinkomen waardoor er een grote afstand (wig) is tussen netto- en brutoloon. Nederland prijst zich daarmee internationaal uit de markt. Menig zwaar opgetuigde commissie heeft zich over het probleem gebogen maar niemand vond de oplossing. Dat getuigt niet van een gebrek aan creativiteit maar van de onmogelijkheid om tarieven te verlagen onder de randvoorwaarden die de politiek altijd stelde: de inkomensverhoudingen moeten ongemoeid blijven en de tariefverlaging mag geen geld kosten.

Het paarse kabinet heeft evenwel in de afgelopen weken de heiligverklaring van de inkomensplaatjes op de helling gezet en beschikt door miljardenmeevallers over veel smeergeld. Van het inkomensverlies dat de omschakeling ook aan de onderkant van de samenleving hier en daar veroorzaakt, kunnen zo de scherpste kantjes worden afgeslepen. Extra geld komt er ook vrij door, in de voorhoede van een internationale trend, de BTW tot 19 procent te verhogen. Voorts wordt er op een niet eerder vertoonde manier huisgehouden in aftrekposten, vrijstellingen en belastingvrije voeten. Dat biedt volgens Vermeend voldoende mogelijkheden voor een tariefstructuur met drie schijven van achtereenvolgens 18, 36 en 48 procent, waarbij het hele minimumloon in de laagste schijf valt.

Op dit moment rekent het Centraal Planbureau de opzet door, wat tot aanpassing van deze tarieven kan leiden. De ingreep is zo vergaand dat ondanks alle financieringsbronnen sommige inkomensgroepen pijnlijk in hun portemonnee worden getroffen. Die hobbel heeft de politiek nog nooit kunnen nemen. Er is feitelijk maar één moment waarop dat met de goede wil die nu aanwezig is, wel zou kunnen: bij de kabinetsformatie. Dan worden de meest controversiële onderwerpen aan elkaar geknoopt tot een regeerakkoord dat vier jaar lang onaantastbaar is. Het gebrek aan openbare discussie tijdens de kabinetsformatie en het verlies van een ongebonden debat daarna, vormt een zwak punt. Dat kan voor een deel worden ondervangen door een maatschappelijk debat over de bij de miljoenennota te presenteren plannen.

Een tweede knelpunt in het huidige systeem vormt de belastingheffing in de vermogenssfeer. Daarbij gaat het zowel over de vermogensinkomsten zoals rente en dividend als over de gerealiseerde waardestijgingen. Het eerste is nu belast en het tweede is belastingvrij. De oneerlijkheid van dat systeem komt door de koersexplosies op de effectenbeurs steeds pregnanter naar voren. Premier Kok heeft het niet zo op met het slapende rijk worden en zeker niet als dat gebeurt zonder belasting te betalen. Hij wil daarom een heffing over de nu nog belastingvrije vermogenswinsten. Zo'n belasting werd in de fiscale wereld vrij algemeen onuitvoerbaar geacht. Tot nu toe heeft geen enkele fiscale adviescommissie een vermogenswinstbelasting aanbevolen. Maar het tij kentert en gezaghebbende fiscalisten als de Rotterdamse hoogleraar Kavelaars hebben geen enkele twijfel aan de wenselijkheid of uitvoerbaarheid van een vermogenswinstbelasting.

Dat is een ondersteuning voor Kok. De minder ideologische en meer pragmatische Vermeend heeft overigens een ander voorkeur dan zijn politiek leider. Hij wil af van het onderscheid tussen geld dat is verdiend met koersstijgingen en geld dat binnenkomt als dividend of rente. Het gezamenlijk rendement fixeert hij fiscaal op vier procent van de waarde van het vermogen. Op dat voor iedereen gelijke forfaitaire bedrag past hij vervolgens het bescheiden tarief van 25 procent toe.

Dat ligt - gelukkig voor de beeldvorming - boven het beoogde belastingtarief van 18 procent dat de minimuminkomens treft. Het werkelijk rendement op vermogen is doorgaans hoger dan vier procent maar verliezen na een beurskrach of een simpele miskoop komen ook voor en dan werkt een gefixeerd rendement van vier procent moordend uit. Vermeends systeem roept in de financiële wereld dan ook weerstand op.

Over één ding zijn Kok en Vermeend het eens: de bestaande vermogensbelasting haalt de volgende eeuw niet. In beide systemen die nu in het kabinet ter discussie staan, wordt de vermogensbezitter met een fluwelen hand aangepakt. Dat is nodig zolang vermogenden zonder problemen geld en effecten bij (Nederlandse) banken in belastingparadijzen kunnen verstoppen. Zulk gedrag is weliswaar moreel verwerpelijk en bovendien in veel opzichten onpraktisch, maar het belastingvoordeel trekt steeds meer mensen over de grens. Om te zorgen dat het huidige vluchtkapitaal met een waarde van ruim 100 miljard gulden niet wordt aangevuld, moet de vermogensbezitter met een aantrekkelijk laag belastingtarief worden gepaaid. Daarvoor krijgen Kok en Vermeend in eigen partij de handen niet zo makkelijk op elkaar, maar ze krijgen nu krediet met de overdreven harde aanpak van de werknemersopties. Langs dit soort wegen kunnen de krachten op het Binnenhof zo worden gebundeld dat een belastingherziening volgens het nu waar te nemen stramien haalbaar wordt. Dan kan Nederland de volgende eeuw ingaan met een belastingstelsel dat voorop loopt in Europa.