Het handeltje

De deur van het atelier staat open en biedt uitzicht op een kale, bedompte ruimte met ouderwetse trapnaaimachines. Fatou is er elke dag aan het werk. In het neonlicht dat haar gezicht een blauwe glans geeft, ziet ze er nog breekbaarder uit dan gewoonlijk. Ze heeft tuberculose gehad maar daarvan is ze genezen, zegt ze. Ze is alleen wat lusteloos en lichter werk zou haar welkom zijn. Maar nu is er een witman gekomen die haar misschien aan een handeltje kan helpen.

Op een middag verschijnt Fatou in het dorp om de handel in ogenschouw te nemen. Ze gaat in het zand zitten onder een dadelpalm waar de witman haar de inhoud van een koffer toont.

Hij is volgepropt met bruidsjurken, afkomstig uit een Amsterdamse winkel in tweedehands kleren. Een tijdlang is Fatou sprakeloos. Eerst streelt ze de berg tule en satijn en dan vist ze er behoedzaam een jurk uit. Alvorens het gewaad uit te spreiden over het zand drukt ze het even tegen zich aan.

In de schaduw van de dadelpalm liggen ten slotte zeven witte gewaden, veelal versierd met kant of parelmoeren kraaltjes. De lege omhulsels van de verpopte Westerse bruiden vertonen een scherpe inkeping die op een wespentaille duidt.

Fatou die een jurk op schoot heeft genomen als gold het een geliefd huisdier, luistert aandachtig naar het voorstel van de witman. Ze kan de bruidsjurken kosteloos in bruikleen krijgen om ze te verhuren en mocht het verhuurbedrijfje een succes worden dan kan ze de handel na een jaar alsnog van hem kopen.

Fatou heeft er wel oren naar. Ze is een bekende van de witman en financieel loopt ze geen enkel risico. “Wij Afrikaanse vrouwen besteden veel geld aan kleren en zeker op onze trouwdag”, zegt Fatou.

Bij haar vertrek wil ze de koffer met bruidsjurken niet meenemen. Ze zal hem later komen ophalen, zegt ze. De dag daarop verschijnt Fatou opnieuw in het dorp en deelt mee dat ze niet op het voorstel kan ingaan. Ze weet niet hoe en aan wie ze de jurken moet verhuren, zegt ze bedrukt. Ze vertrekt om terug te keren naar het naai-atelier.

De volgende kandidaat voor het verhuurbedrijf in bruidskledij is Assoua. In het dorp bewoont hij een lemen hut en langs de hoofdweg naar Ziguinchor staat zijn kleermakerijtje. Het is een emeraldgroen geschilderd optrekje waar een kalenderplaat van een besneeuwde berg is opgehangen en waar een Singer trapnaaimachine staat. Assoua was ooit getrouwd en vader van een kinderrijk gezin. Zijn vrouw werd ziek en stierf, daarna werden zijn kinderen ziek en stierven eveneens. Zulke dingen komen hier vaker voor. Assoua is echter zo vitaal als een Diola maar kan zijn. Na de jurken gemonsterd te hebben, komt hij meteen in actie. Hij droomt al over de uitbreiding van zijn nering. Een dag later verschijnt hij met een fotograaf en twee jonge Diola-vrouwen op het erf. Assoua heeft een zonnebril opgezet en geeft als een regisseur aanwijzingen. De vrouwen moeten zich in de hut verkleden en in bruidsjurk poseren bij een palm, waar de fotograaf hen dient te vereeuwigen. De mannequins blijven lang weg. De jurken blijken de fraai gebouwde vrouwen niet te passen. Diola-meisjes hebben van nature geen wespentaille. Ze poseren met ongelukkige gezichten in jurken die aan de achterkant openhangen. Assoua blijft optimistisch gestemd. Hij zegt de foto's te zullen ophangen in zijn kleermakerij om reclame te maken voor zijn nieuwe verhuurbedrijfje. Maar welke Diola-bruid zal in zijn jurken passen?