De auto is de sigaret van morgen

In de zomermaanden lijkt alles wat de klok slaat vrije tijd en vertier. Er rijden veel met caravans en fietsen bevrachte auto's, de pleziervloot neemt bezit van de vaarwegen en terrasklanten vullen de straten van binnensteden.

De vrijetijdsbesteding komt verder meestal alleen in beeld als het spaak loopt, zoals bij vakantieongelukken of - in de rest van het jaar - bij een knokpartij tussen voetbalsupporters of een ecstasy-slachtoffer na een houseparty. Nieuws is dit, omdat de meeste vrijetijdsbesteding zonder bijzonderheden afloopt.

Zonder incidenten en buiten de zomermaanden wordt het verschijnsel aan het zicht onttrokken, ook al omdat de vrijetijdsbesteding zich grotendeels - voor 61 procent - binnen huismuren afspeelt. Die 39 procent van huis bestede tijd, speelt zich opnieuw grotendeels binnen af, bijvoorbeeld in sporthal, eetgelegenheid of verenigingsgebouw. Buitenstaanders merken hier weinig van en hoeven zich niet over massarecreatie op te winden.

Maar de indruk dat de recreatie het hele jaar doorgaat en luidruchtiger wordt, is niet ongegrond. Er is een toegenomen deel van de bevolking dat doordeweeks niet meer op het werk hoeft te verschijnen, grofweg de groep van 55 jaar en ouder. In vergelijking met eerdere lichtingen gepensioneerden onderneemt de huidige groep meer in haar ruim bemeten vrije tijd.

Bovendien stapt men er vaak voor in de auto. Bij de voorgangers kwam dit nog maar weinig voor. Voor de hele bevolking geldt trouwens dat zij de laatste decennia meer vrije tijd op andere plaatsen dan thuis is gaan besteden en daarbij vaker op de auto terugvalt.

De belangrijkste reden voor een recreatieve drukte is echter dat Nederlanders in hun vrije uren omnivoren zijn geworden. In een normale werkweek heeft men al zo'n dertien verschillende soorten vrijetijdsbesteding per persoon. Aan de meeste onderdelen van dit persoonlijke pakket doet men zo af en toe mee. Of het nu gaat om sport, natuurwandelingen, skeeleren, klussen, het verzamelen van iets, het aantal personen dat er geheel in opgaat is altijd in de minderheid ten opzichte van de groep van incidentele deelnemers.

De groep die aan uiteenlopende zaken zo af en toe meedoet is op die manier bijzonder omvangrijk geworden. De reden ligt voor de hand. Veel mensen rijden makkelijk ergens naar toe en kunnen eenvoudig inhaken bij een programma dat de vrijetijdsindustrie voor gelegenheidsdeelnemers heeft uitgekiend. Bovendien zijn er steeds meer machines gekomen - computer, printer, automatische camera, elektrisch gereedschap - met behulp waarvan ook leken tot redelijke prestatie kunnen komen. Kortom, veel mensen zijn zó mobiel en zó goed toegerust, dat ze zich niet bij één hobby hoeven neer te leggen. Door al die mogelijkheden zijn ze er waarschijnlijk ook te ongedurig voor geworden.

Terwijl het pakket van activiteiten van persoon tot persoon verschilt, zijn er telkens wel grote groepen die één activiteit uit een pakket gemeenschappelijk hebben. Als bijvoorbeeld het ijs dik genoeg is, zijn er meteen hordes toerschaatsers, terwijl de zuinig bemeten zonnige dagen meteen een grote schare opleveren die erop uittrekt. De weerman kan in dit opzicht een massa voor elkaar krijgen.

Een massale toeloop hoeft op zichzelf nog niet voor problemen te zorgen. Wie beelden ziet uit de jaren vijftig van de overvolle ligweiden in het Amsterdamse Bos, realiseert zich dat een sober levende bevolking drukte beter aan kan dan een welvarende. Niet zozeer het massale, maar het gemotoriseerde en met spullen overladen karakter van de vrijetijdsbesteding zorgt tegenwoordig voor problemen.

Vijftig man op een polderdijkje zijn er meteen een boel als zij zich op motoren verplaatsen, en eenzelfde aantal op weg naar een feestje kan een verkeersopstopping veroorzaken, als het per auto arriveert. Met één mobiele telefoon in een openbare gelegenheid, om maar te zwijgen over één hard stampende stereotoren op autowielen, kan men omstanders al behoorlijk dwarszitten. Technisch vernuft en comfort stellen ons fatsoen zwaar op de proef, want het genot van soepel draaiende technieken maakt gebruikers ongevoeliger voor de gevolgen van hun gedrag voor anderen.

Er zijn weinig tekenen dat het geschetste patroon op zijn eind loopt. Een teruggang in de welvaart met een versoberd vrijetijdsrepertoire ligt niet direct in het verschiet. Het autogebruik zal vermoedelijk wat van zijn aantrekkelijkheid verliezen als men minder vaak van deur tot deur kan rijden. Hogere heffingen op energie en parkeerplaatsen werken echter niet disciplinerend, althans niet bij welgestelden, terwijl deze groep in de geschetste trend vooropgaat.

Een jongere generatie die het ongedurige patroon voor gezien houdt, in slechts één liefhebberij wenst uit te blinken of opnieuw aan het lezen slaat, zit er ook nog niet in. De mechanisatie van het recreërende individu en vooral de verkoop van mobiele consumenten-elektronica is eigenlijk nog maar pas begonnen. Ik zie geen overheid die de verdere expansie van die 'hoogwaardige' informatietechnologie een strobreed in weg zou willen leggen. Dat zal zeker niet gebeuren als industriëlen zelf zo verstandig zijn om het geluidsvolume van mobiele ontvangst- en afspeelapparaten aan banden te leggen.

De enige tegenkracht die dan nog verwacht zou kunnen worden is dat een uitbundig gebruik van auto's, motorvermogen en energie louter voor recreatieve doeleinden op den duur dezelfde weerstand gaat oproepen, als nu het geval is met roken in openbare ruimten. Hoe dit zou moeten gebeuren zie ik nog niet scherp voor me. Bij roken is meteen zichtbaar wie het doet en wie de verwijten toekomen. Bij een recreatief wegblazen van energie, lijkt me dit nog niet mogelijk.