Zwarte Plasje

Wanneer ik aan het Zwarte Plasje terugdenk, word ik me zelfs na zoveel jaren nog bewust van die jonge, zorgeloze blijheid die ik nergens anders zo intens heb beleefd als daar. Ik hoor weer de schelle meisjesstemmen, het gelach en geroep naar elkaar vanuit de badhokjes en ruik de lucht van water en chloor die het zomerse tafereel oproept van een drukbezocht zwembad onder een onbewolkte hemel, met wilgen en weilanden aan de horizon.

Daarbij verschijnen onveranderlijk de gezichten van drie vriendinnen uit mijn klas: Tilly C., Ada van O. en - ondanks, of misschien dankzij, de navrante herinnering aan haar - Lien S., die er geen genoeg van kreeg de springtoren te beklimmen om, scherp afgetekend tegen de felblauwe lucht, een kort ogenblik op het uiterste randje van de hoogste plank te balanceren en met een sierlijke zwaai omlaag te flitsen.

De laatste twee jaar van de lagere school trof ik hen daar in het zomerseizoen op onze vrije middagen en gedurende de vakantie, als ze niet de stad uit waren. Ze kwamen per fiets of tram en lagen met natte haren, omringd door badtassen, strandballen en kodaks, op vrolijk gestreepte badlakens langs het 'diepe', waar ik me na een wandeling van een uur met een aanmerkelijk minder royale handdoek bij hen voegde.

In die tijd was het Zwarte Plasje in Hillegersberg een begrip. Met afzonderlijke openingstijden voor mannelijke en vrouwelijke bezoekers (zelfs kinderen vielen daaronder) stond het bekend als het meest respectabele openluchtbad, waarvan alle nette meisjes uit het Noorden lid waren en waar zij hun zwemdiploma hadden behaald. Ook mijn drie klasgenoten beschikten over dit belangrijke document, dat ik helaas nooit zou bezitten aangezien mijn moeder, in de veronderstelling dat het lesgeld bij de prijs van het lidmaatschap was inbegrepen, weigerde het extra bedrag te betalen dat mij het recht zou hebben gegeven aan de hengel van de stuurse badjuffrouw met het witte jasschort en de wit uitgebleekte wenkbrauwen en haren de zwemkunst machtig te worden.

“Vraag maar aan een meisje of zij het je wil leren, of leer het jezelf maar”, adviseerde mijn moeder, hetgeen ertoe leidde dat ik me, wanneer mijn vriendinnen op kille dagen verstek lieten gaan, heimelijk in het beschamend kleine pierenbadje terugtrok, tot ik erin slaagde me met enige moeite drijvende te houden. Hierdoor aangemoedigd, waagde ik mij met mijn gediplomeerde vriendinnen in het grote, uitsluitend voor geoefende zwemmers bestemde bad, waar ik met angstvisioenen van onpeilbare diepten te snel en te krampachtig naar het dichtstbijzijnde rustpunt ploeterde, de trap van de springtoren, om er hijgend op adem te komen en hoogtevrees voorwendde om niet van een van de planken te hoeven duiken. Ik placht het voor mij verboden bad dan ook veel eerder te verlaten dan mijn vriendinnen, die er nog een hele poos watertrappend en crawlend met benijdenswaardig gemak achter de bal aanjoegen. Terwijl ik me dan languit in de zon liet opdrogen, tuurde ik naar de vreedzaam grazende koeien in de verte en genoot van wat ik herkende als het onbekommerde Zwarte-Plasjegevoel, dat verdween zodra ik met de opgerolde handdoek onder mijn arm naar huis liep.

Van alle meisjes met wie ik zes lagere-schooljaren lang een klaslokaal heb gedeeld, zijn deze drie vriendinnen de enige geweest aan wie ik later, om geheel verschillende redenen, werd herinnerd. Tilly liep ik een paar jaar na de oorlog letterlijk tegen het lijf in Amsterdam, waar ik woonde, en waar we allebei, los van elkaar, een afspraak in Café Américain bleken te hebben. Zij was niet eens zo erg veranderd, althans niet uiterlijk, en had nog hetzelfde amberkleurige haar en dezelfde kleur ogen, maar ze reageerde nogal afstandelijk op onze toevallige ontmoeting, zodat er inderhaast wat gebeurtenissen uit onze jeugd werden opgehaald en feiten uitgewisseld, waaruit ik opmaakte dat ze met een jurist was getrouwd, onlangs naar Den Haag was verhuisd en geen kinderen had. We noteerden elkaars adres en telefoonnummer, en wisten dat we er geen gebruik van zouden maken.

Het bericht van Ada's vroege dood bereikte mij pas toen een nicht van haar - die een boek van mij had gelezen, waarin Ada's naam voorkomt - zich met mij in verbinding stelde, met het verzoek haar in Rotterdam te komen opzoeken. Uit piëteit jegens Ada, of misschien uit sentimentele overwegingen of nieuwsgierigheid, heb ik dat gedaan en alle oude klassefoto's en kiekjes van het Zwarte Plasje meegenomen, waarop Ada heel tenger, het smalle gezicht nog smaller door het dikke, donkere haar, met een schuwe blik in de lens kijkt. Zij bleek ongeneeslijk ziek te zijn geweest en had een ontredderd gezin met drie kleine kinderen achtergelaten.

De herinnering aan Lien is mij op de een of andere manier blijven bezighouden, en nog steeds vervult de gedachte aan haar mij met een machteloos gevoel van onvrede. In de zomer van 1942 hoorde ik van mijn ouders, die een paar honderd meter van Liens ouderlijk huis in het nieuwe gedeelte van de Bergselaan woonden, dat er geheel onverwachts razzia's in het Noorden waren gehouden. Vanachter de vitrages (er was door luidsprekers omgeroepen dat de ramen gesloten moesten blijven) hadden ze gezien hoe de joden uit hun huizen werden gehaald, bijeengedreven door Duitse SS'ers en via de Voorburgstraat en de Dr. de Visserstraat werden weggevoerd. (Later zou blijken dat de mensen naar de Nenijto Hal waren gebracht of gedwongen waren in de Insulindestraat op lijn zes te stappen, die naar het Stieltjesplein reed, en ze vandaar naar Loods 24 op het Gemeentelijk Handelsterrein hadden moeten lopen - de plaats waar alle joden uit Rotterdam en omgeving zich van juli 1942 tot het voorjaar van 1943 hadden moeten melden, om meteen op transport naar Westerbork te worden gesteld.) Opeens, het verbod om de ramen te openen was nog niet opgeheven en bijna niemand durfde zich op straat te vertonen - aldus het relaas van mijn ouders - was Lien, met een vuurrood gezicht en zonder jas of iets bij zich, uit het oude deel van de Bergselaan komen aanhollen en binnen enkele seconden in de richting van de Schieweg verdwenen. Ze hadden zich nog afgevraagd of zij misschien kans had gezien te ontsnappen, of dat ze het huis van haar ouders leeg had aangetroffen en hen in paniek was gaan zoeken. “We konden er alleen naar gissen”, zei mijn vader. “Maar waarschijnlijk is zij regelrecht in de armen van de Gestapo gelopen, die de hele omgeving tot aan de Heulbrug had afgezet.”

Deze woorden hebben zich voorgoed in mijn geheugen gegrift, samen met het beeld van Lien S. die, glinsterend van waterdruppels, op de springplank van het Zwarte Plasje omhoogveert en als een vogel naar beneden zweeft.