Wilhelmina's vertrek was geen vlucht

Bij Hitlers keuze voor een civiel bestuur in 1940 was de afwezigheid van Wilhelmina niet doorslaggevend, vinden Pim Griffioen en Ron Zeller. Er waren veel meer factoren in het spel, waarvan eerst door zorgvuldige analyse het gewicht moet worden bepaald.

Bij de twee artikelen van dr. Jozeph Michman in deze krant over het vertrek van koningin Wilhelmina en het kabinet in mei 1940 naar Engeland en de betekenis daarvan voor de omvang van de catastrofe voor de Nederlandse joden is een aantal kanttekeningen te plaatsen. In zijn eerste artikel van 14 mei stelt Michman - zij het niet als hoofdzaak - dat dit vertrek uit constitutioneel oogpunt een ernstige stap was, “omdat de Grondwet bepaalde dat de Nederlandse regering slechts op Nederlands grondgebied mocht zetelen”. In dit verband moet worden gewezen op het volledige toenmalige artikel 21 van de Nederlandse grondwet. Dit luidde: “De koning kan geen vreemde kroon dragen. In geen geval kan de zetel der Regering buiten het Rijk worden verplaatst.” Premier Ruys de Beerenbrouck stelde al in de jaren twintig dat dit artikel niet uitdrukkelijk in een tijdelijke verplaatsing van de regeringszetel hoefde te voorzien. Men zou zich in de tijdelijke afwijking van deze grondwettelijke bepaling moeten schikken, zo stelde hij, temeer waar bij een vijandelijke aanval aan vele bepalingen van de grondwet toch niet de hand zou kunnen worden gehouden. Vrijwillige verplaatsing van de regeringszetel naar het buitenland, en dát was waartegen artikel 21 zich uiteraard richtte, is immers het tegendeel van verplaatsing als gevolg van overmacht: Impossibilium nulla obligatio.

Van groter belang vindt Michman iets anders: “De koningin en de regering hadden een bestuursvacuüm geschapen dat niet bestond in de twee andere in mei en juni 1940 veroverde landen (België en Frankrijk) en dat leverde Hitler de legale basis voor een civiel bewind.” Van een bestuursvacuüm is strikt gesproken echter geen sprake geweest. Wel was er een verwarde situatie en tot op zekere hoogte een politiek vacuüm, maar dat gold ook voor een vergelijkbaar land als België. Koningin Wilhelmina vertrok in de ochtend van 13 mei 1940 uit Den Haag naar Hoek van Holland vanwaar een Engels marineschip haar naar Engeland zou brengen. Opperbevelhebber generaal Winkelman en minister van oorlog Dijxhoorn drongen erop aan dat het kabinet dat nog in Den Haag verbleef eveneens onmiddellijk naar Engeland zou vertrekken. De ministerraad vertrok daarop naar Hoek van Holland, evenwel zonder Steenberghe en Van Rhijn en zonder overdracht van bevoegdheden. Tijdens het oponthoud in Hoek van Holland - omdat direct inschepen niet mogelijk bleek - formuleerden premier De Geer en minister Dijxhoorn alsnog een officiële instructie aan de opperbevelhebber.

Belangrijker was dat men daar ook vernam dat Steenberghe en Van Rhijn intussen in een bijeenkomst het overheidsgezag volgens staatsnoodrecht hadden overdragen aan Winkelman, als Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, en direct onder hem de secretarissen-generaal van de ministeriële departementen. Vervolgens besloten de twee in Den Haag achtergebleven ministers tijdens een telefoongesprek met De Geer alsnog mee te gaan naar Engeland. Het ging erom dat het Koninkrijk de strijd tegen Duitsland zou voortzetten en dat de regering vrijheid van handelen behield.

Hitler zou overigens hoe dan ook nooit een 'legale basis' hebben gehad voor de vestiging van een civiel bezettingsbestuur. Met de op 15 mei 1940 getekende capitulatie kwam Nederland overeenkomstig het oorlogsrecht onder het militaire bestuur van de bezetter, dat werd uitgeoefend door de (ook voor het toen veroverde stuk van België aangewezen) generaal Von Falkenhausen. Deze toestand duurde tot 29 mei, toen de reeds op 18 mei door Hitler benoemde Seyss-Inquart als Reichskommissar “het hoogste regeringsgezag in civiel opzicht” overnam. Deze radicale verandering was geheel in strijd met het ook voor Duitsland bindende oorlogsrecht en het sinds 1907 vastgelegde internationale Landoorlogreglement.

In de 14 dagen dat uitsluitend de Duitse militaire autoriteiten in Nederland het heft in handen hadden, ging alles nog vrij normaal toe. Ze kondigden enkele militaire verordeningen af, maar handhaafden en erkenden het hoogste overheidsgezag door de Nederlandse opperbevelhebber en de aan hem ondergeschikte secretarissen-generaal onder hun eigen, hoogste controle. Maar de instelling van een civiel bestuur, gekoppeld aan een usurpatie door Seyss-Inquart van alle grondwettelijke bevoegdheden van koning en kabinet was een duidelijke inbreuk op het geldende oorlogsrecht, dat alleen een militaire gezagsuitoefening door de bezetter met de eerbiediging van 's lands wetten kent. Een van Seyss-lnquarts eerste daden was het ontslaan en in gevangenschap wegvoeren naar Duitsland van Winkelman en het aan zich ondergeschikt maken van de Nederlandse secretarissen-generaal.

Bij de keuze van het type bestuur was niet, zoals Michman suggereert, slechts één factor - het vertrek van de koningin en regering - van cruciaal belang. Er zijn meer factoren. Zo was er de competentiestrijd tussen de Duitse legertop en de ideologische kant van het regime, die vooral vertegenwoordigd werd door de SS, om ook zoveel mogelijk politieke invloed te veroveren bij het bestuur van de bezette gebieden. Verder was van belang dat de nazi's de Nederlanders als een 'Germaans broedervolk' beschouwden, dat eens deel zou moeten uitmaken van het Duitse Rijk. Ook de snelle militaire opmars in het Westen en de spoedige capitulatie van Nederland speelden een rol. Bij dit alles kan Hitlers plotselinge besluit om in Nederland het net ingestelde militaire bestuur te vervangen door een civiel bezettingsregime met zeer sterke invloed van de SS, beschouwd worden als een typisch voorbeeld van de impulsiviteit en geïmproviseerdheid van zijn beslissingen.

In zijn tweede artikel (25 juli 1997) stelt Michman onder meer dat voor het zeer hoge aantal slachtoffers onder de Nederlandse joden, vergeleken met Frankrijk en België “allerlei verklaringen zijn geopperd, die noch afzonderlijk noch tezamen overtuigend zijn”. Omdat de meeste topfiguren van het Duitse bezettingsregime in Nederland fel antisemitische Oostenrijkers waren, luidt zijn verklaring: “Oostenrijk, de bakermat van het agressieve antisemitisme is het antwoord op de schuldvraag”.

Dit aanduiden als hét belangrijkste antwoord op de schuldvraag en “de vlucht van Wilhelmina de oorzaak van die catastrofe” noemen, is wegens het sterk eenzijdige en stellig gesuggereerde verband op zijn beurt ook weinig overtuigend. Als verklaring is dit veel te gemakkelijk voor een zo gecompliceerde kwestie. Een historicus heeft niet alleen altijd te maken met een veelheid van oorzaken, men is ook pas na een zorgvuldige kwalitatieve en zo nodig kwantitatieve analyse in staat het gewicht van de verschillende oorzaken te bepalen. Michman betoogt dat Wilhelmina een voorbeeld had moeten zijn “door een waardig en principieel gedrag”, omdat haar symbolische betekenis belangrijker was dan haar persoonlijke vrijheid. Een nadeel van een 'contrafactische' uitspraak als deze is dat we niet weten, niet kunnen weten, of de koningin - al dan niet in Duitse gevangenschap - de houding van de Nederlandse gezagsdragers moreel en daadwerkelijk had kunnen beïnvloeden. Meer voor de hand ligt het om naar een land in vergelijkbare omstandigheden te kijken waar de koning wél gebleven was en het vervolg daarvan.

In België weken de premier en de meeste ministers in een verwarde situatie uit naar Frankrijk en later naar Engeland. De Belgische grondwet voorzag in een situatie waarbij als gevolg van een volledige bezetting de wetgevende en uitvoerende macht tijdelijk aan de ministerraad werd overgelaten. Koning Leopold III, tevens opperbevelhebber van het leger (wat Wilhelmina in Nederland niet was), verschilde ernstig van mening met zijn ministers en maakte bekend het land niet te zullen verlaten: “Officieren en soldaten! Wat er ook gebeure, mijn lot zal het uwe zijn”. Aan Duitse zijde kwam deze beslissing van Leopold als een verrassing. In 1972 stelde de Belgische historicus A. de Jonghe vast dat de Duitse legerleiding, die in deze kwestie verondersteld mocht worden de opvatting van Hitler te vertolken, als volgt reageerde: 'als hij alleen komt' (d.w.z. zich persoonlijk gevangen laat nemen zonder vooraf bevel te geven de strijd te staken), dan wordt hij rechtstreeks naar Duitsland weggevoerd. Komt hij 'als generaal met zijn troepen' (capituleert hij als opperbevelhebber van en namens zijn leger), dan mag hij als krijgsgevangene in België blijven en wordt hem een 'waardiger verblijf' toegewezen. Dit laatste gebeurde op 28 mei 1940. De koning kon in Duitse gevangenschap echter onmogelijk als constitutioneel staatshoofd blijven functioneren. De overdracht van het overheidsgezag aan de Belgische secretarissen-generaal als hoogste ambtenaren in geval van een bezetting was dan ook al geregeld in de gedurende de jaren dertig in het geheim voorbereide en op de eerste oorlogsdag door het Belgische parlement goedgekeurde Wet van 10 mei 1940.

De Jonghe geeft duidelijk aan dat in juni-juli 1940 óók in België het lot van het militair bestuur aan een zijden draad heeft gehangen. Bijna was ook hier op sterke aandrang van de hoogste SS-chef Himmler een civiel bestuur ingesteld. Hij toont aan dat Hitler van meet af aan ook heeft gedacht aan een civiel bestuur voor Vlaanderen en dat de kandidaat-Reichskommissar al klaar stond. Een belangrijke reden dat dit toch niet doorging, was - en dat is essentieel - niet de aanwezigheid in het land van koning Leopold, maar diens tot tweemaal toe principieel aanvaarden van Hitlers uitnodiging tot een ontmoeting als basis van mogelijke onderhandelingen. Hiermee bewees Leopold in Hitlers ogen voldoende dat hij 'redelijk' was en wellicht tot samenwerking bereid. Met een civiel bezettingsbestuur in Vlaanderen - wat neerkwam op de opdeling van België - zou hij Leopold nooit verder voor zich kunnen winnen. Ook speelden militair-strategische belangen een rol: voor de Duitse legerleiding, die Hitler hard nodig had voor de verwezenlijking van zijn plannen, vormde België opmarsgebied naar het nog niet verslagen Engeland. Zo bleef de kwestie-België dus voorlopig onbeslist en werd het militair bestuur aangehouden. Na de ontmoeting tussen de koning en Hitler in november 1940 werd het de laatste geleidelijk steeds duidelijker dat van Leopold geen reële tegemoetkomingen te verwachten waren. Uiteindelijk liet hij de koning in juni 1944 alsnog wegvoeren in gevangenschap naar Duitsland om enkele weken later het militair bestuur te vervangen door een civiel bewind met een Reichskommissar aan het hoofd.

De doelstellingen van beide typen bezettingsregime - militair of civiel - deden overigens ten aanzien van de anti-joodse politiek niet wezenlijk voor elkaar onder. Wel wilde het militair bestuur, méér dan een civiel bestuur, in het algemeen rekening houden met de plaatselijke omstandighheden bij de uitvoering van deze anti-joodse politiek. Al op 21 december 1940 schreef Eggert Reeder (na generaal Von Falkenhausen de hoogste Duitse machthebber in België) aan Seyss-Inquart: “Het doel dat wij stellen is de totale uitschakeling van de joodse invloed, maar met betrekking tot de anti-joodse maatregelen moet men de nodige voorzichtigheid betrachten om de bereikte resultaten in overeenstemming te brengen met de politieke weerslag ervan.” Maar die voorzichtigheid was voor het verloop van de deportaties uiteindelijk niet van doorslaggevend belang. In september 1943 werden in Nederland de laatste razzia's op de overgebleven joden uitgevoerd. In diezelfde maand werd in België de laatste groep van circa 4.000 Belgisch-joodse staatsburgers, die door het militair bestuur om politieke redenen voorlopig was gevrijwaard van wegvoering, definitief aan de invloed van Belgische gezagsdragers onttrokken en uitgeleverd voor deportatie.