Strijd om Enka open te houden paste in tijdgeest

Bijna de helft van de 1.700 werknemers van Enka nam in 1972 vijf dagen lang bezit van het Bredase textielconcern. Het was de eerste bedrijfsbezetting in Nederland. De bonden leerden daar een nuttige les.

BREDA, 19 AUG. Er hangt een zoete lucht bij de oude toegangspoort van Enka, in de Lunetstraat aan de westkant van Breda. Op een deel van het terrein waar eens de textielfabriek met zijn karakteristieke hoofdkantoor was gevestigd, huist nu de suikerverwerkende industrie Van Melle. De rest van het Enka-complex is overgenomen door drie andere ondernemingen, waaronder Akzo. “Enka was zo groot, het was een gigant”, zegt een portier in zijn hokje naast de roodwitte slagboom.

Vrijdag 7 april 1972. Enka-Breda dicht, 1.700 man op straat, zo kopten de kranten. Het moederbedrijf Akzo in Arnhem had een dodelijk structuurplan opgesteld. Als reden voor de sluiting noemde de directie “de overcapaciteit in de productie van synthetische garens in Europa”. Er volgde een reeks van besprekingen tussen de Akzo-leiding en vertegenwoordigers van de vakbonden. De laatsten keerden het overleg woedend de rug toe, toen de Raad van Bestuur van Akzo weigerde te onderhandelen over de sociale aspecten van de aangekondigde ontslagen.

Prompt kwam het personeel in actie. Ruim achthonderd mensen namen bezit van de fabriek, geruggesteund door de bonden. Het was de eerste bedrijfsbezetting in Nederland. Politiek Den Haag raakte meteen verdeeld, herinnert oud-minister J. Boersma (Sociale Zaken) zich nog. “Het gaf gerommel in het kabinet. Mijn VVD-collega's Langman en Geertsema wilden niet meer praten met de bonden, omdat die het mes op tafel hadden gelegd.” Boersma, lid van de Anti-Revolutionaire Partij, wenste wel contact te houden.

Een bedrijfsbezetting in Nederland was net zoiets als een ijsbeer in de Sahara. De socioloog prof. dr. A. de Swaan beaamt het. “In ons land vormen arbeiders nu eenmaal geen revolutionaire stroming”, meent De Swaan. In 1973 maakte De Swaan de film en het boek 'Een boterham met tevredenheid', met daarin vraaggesprekken met arbeiders over hun werk. De Swaan nu: “En toch deden ze bij Enka ineens mee, grepen ze massaal naar acties die een staking ver te boven gingen.”

De socioloog denkt dat de uitbarsting verband hield met de tijdgeest. “Er bestond in die jaren een sterk radicale sfeer, ook in de politiek. Denk maar aan Ulrike Meinhof en de Rote Armee Fraktion. Voor de Enka-bezetters en de vakbonden was het heel belangrijk dat er bij studenten en intellectuelen algemene sympathie bestond voor hun initiatieven. Studenten en arbeiders zochten elkaar op: bij de Maagdenhuisbezetting van 1969 waren ook mannen in overalls aanwezig, die plat praatten en alpinopetten droegen.”

Bedrijfsbezettingen zijn in Nederland zeldzaam gebleven. H. Bode, in 1972 bestuurder van de Industriebond NKV, herinnert zich iets soortgelijks uit 1970, bij Werkspoor. “Het was toch een andere bezetting dan die bij Enka, want de mensen gingen 's avonds gewoon naar huis”, zegt de twaalf jaar geleden gepensioneerde vakbondsman. Later was er nog een bij Ford Amsterdam. “Daar is hard gevochten, maar uiteindelijk is het bedrijf toch gesloten. De macht van het kapitaal was zo sterk, dat de bedrijfsleiding de druk van de arbeiders weerstond. Er is ook zo'n actie geweest bij Philip Morris, dat naar België verhuisde”, vertelt Bode.

Het effect van de bezetting bij Enka is volgens Bode “behoorlijk groot” geweest. In de tweede helft van de jaren zestig, weet hij nog, kreeg de vakbond pas bericht van een reorganisatie als dat nieuws al op de radio was gemeld. De vakbond hield zich vervolgens bezig met de sociale afspraken: wat krijgen de mensen die hun werk teloor zien gaan? Hoe worden ze opgevangen? Het ging daarbij met name om geld. Na de Enka-affaire veranderde de opstelling van de bonden, die volgens Bode “hun lesje hadden geleerd”. “Ze gingen mee discussiëren over de noodzaak van die veranderingen. De directies werden minder autoritair en de inspraak groeide wel degelijk.”

Tot zijn leedwezen ziet Bode dat werknemers in de jaren negentig reorganisaties “een stuk gemakkelijker accepteren dan 25 jaar geleden”. “Als zich grote schokken voordoen, zoals bij DAF, is er nog sprake van verzet. De bezuinigingen verliepen daardoor anders dan de directie voor ogen had. Maar in de jaren zeventig en tachtig, toen de werkloosheid groeide en groeide, was de motivatie om dwars te gaan liggen groter dan tegenwoordig, nu zij juist afneemt.”

Socioloog De Swaan is van oordeel dat de omstandigheden in de bedrijven nu van dien aard zijn dat het klimaat potentieel gunstig is voor acties in bedrijven. “Er wordt genoeg geschoven met mensen. Er heerst daardoor onvrede. Maar blijkbaar neemt die geen concrete vorm aan, althans niet in Nederland. Elders wel, denk maar aan de recente acties bij Renault in België.” De Swaan vermoedt dat de werknemers niet meer de moed hebben voor bedrijfsbezettingen. Hij vreest dat ze gedemoraliseerd zijn door “de vergeefse pogingen van de christelijk-socialistische kabinetten om bedrijven als de mijnen, Verolme en Fokker open te houden, tegen de jaarcijfers in”.

Enka is uiteindelijk, in september 1982, toch gesloten. “De bezetters hebben een slag gewonnen, niet de oorlog”, stelt De Swaan. Oud-minister Boersma onderschrijft die woorden van harte. “Het duurzame effect van die spraakmakende gebeurtenis is tegengevallen, hoe bewonderenswaardig het ook was wat die enthousiaste actievoerders deden. Dàt ze zich verzetten verdiende respect, maar ook de manier waarop. Ze waren buitengewoon goed voorbereid en zeer gedisciplineerd. Zo richtten ze geen vernielingen aan en zorgden niet voor nare bijwerkingen.”

Boersma meent dat één conclusie ten tijde van de bezetting gold en nog steeds geldt: “De factor arbeid trekt altijd aan het kortste eind als de factor kapitaal iets wil. Dat zal zo blijven, omdat de economie zo overheerst en ook internationaal nauw is verweven. Daar zitten ook positieve kanten aan”, aldus Boersma, die nog betrokken is bij de arbeidsvoorziening Midden- en West-Brabant.

Er komt geen nieuwe Enkaaffaire meer, oordeelt hij. “In 1972 waren er 100.000 werklozen, nu zijn er veel en veel meer. De kracht van de factor arbeid is daardoor verder weggegleden. Ga je een bedrijf bezetten, dan is de kans groot dat je in je eigen vlees snijdt. Het personeel van Fokker zag er terecht van af. Misschien zijn de mensen ook apathisch geworden. Zo van: we kunnen wel willen, maar we bereiken toch niks. Het is heel erg jammer dat de vuist niet meer op tafel komt. In 1972 krabde de directie van Enka zich na de bezetting nog achter de oren. In onze tijd komt dat niet meer voor: de mensen worden gewoon ontslagen en vervangen, hoewel de winststijgingen gigantisch zijn.”

    • Guido de Vries