Polke bewijst zich als schilderkunstig alchemist

Tentoonstelling: Sigmar Polke, Die Drei Lügen der Malerei. Kunst- und Ausstellungshalle, Friedrich-Elbert-Allee 4, Bonn. Di en wo 10-21u, do-zo 10-19u. T/m 12/10. Catalogus DM 78,-.

Twee jaar geleden maakte Sigmar Polke vier schilderijen van de oude wijsgeer Hermes Trismegistos. Dat was op zich al een hele prestatie, want niemand weet hoe Hermes, alchimist en auteur van de Hermetica, er ooit heeft uitgezien - het is zelfs de vraag of hij ooit heeft bestaan. Maar dat zijn details waarmee Polke zich niet bezighoudt: op drie wandvullende werken schilderde hij een oude man, die gekleed gaat in een lang, wijd gewaad. Op zijn hoofd staat een puntige hoed als een enorme aubergine. Zijn baard is lang en gespleten, hij glimlacht en zijn ogen staan zacht. Polkes Hermes ziet er daarmee uit zoals je een filosoof zou wensen: een wijze man, waarin je geloven kunt - een kruising tussen Sinterklaas en een chassidische priester.

De Hermes Trismegistos-serie, vier schilderijen die normaal in de Tilburgse De Pont Stichting hangen, wordt op dit moment geëxposeerd op de grote Polke-tentoonstelling die in de Bonnse Kunst- und Austellungshalle wordt gehouden. Het is de grootste Polke-expositie tot nu toe, met meer dan 180 schilderijen die zijn hele loopbaan overspannen: van zijn vroege, kleine werken uit 1962 en '63 (een volledig wit doek bijvoorbeeld met een zwarte lijn in het midden en twee stippen aan weerszijden: Kast) tot zijn wandvullende werken van de afgelopen jaren.

Voor iemand met zo'n omvangrijk oeuvre is de titel nogal opmerkelijk: Polke heeft het overzicht Die drei Lügen der Malerei genoemd. Die titel is in de eerste plaats ontleend aan het gelijknamige schilderij uit 1994, maar waarop hij precies slaat wordt nauwelijks duidelijk. De achtergrond is van doorzichtig polyester, op een strook stof na die ertussen is genaaid en waarop drie gekleurde handjes zijn gedrukt. Op het doorzichtige gedeelte heeft Polke een rode boom geschilderd die in fragmenten is uiteengespat, en een zwarte berg die doormidden is gesneden.

Met zulke afbeeldingen en een dergelijke titel appelleert Polke sterk aan de nut-van-de-schilderkunst-discussie van de afgelopen decennia. Kan de schilderkunst de werkelijkheid nog weergeven? Blijft het niet altijd verf op doek, een plat beeld dat doet alsof ze een doorkijkje naar de wereld is, een illusie die altijd een illusie zou moeten willen blijven? Polke's werk lijkt één lang antwoord op zulke vragen - en tamelijk afdoende. Door op virtuoze wijze een onwaarschijnlijk spectrum aan mogelijkheden te tonen laat hij zien dat het medium springlevend is. Het ene moment schildert Polke bijvoorbeeld op doorzichtig polyester, waardoor het klassieke, ondoordringbare oppervlak in lucht lijkt te zijn opgegaan. De volgende keer werkt hij juist op dikke dekens, waarop voetballers zijn gedrukt, of sterretjes, of pinguïns, waardoor de geschilderde figuren als geesten uit het patroon lijken op te doemen. Hij maakt werken van aan elkaar genaaide theedoeken, met roet, op bubbeltjesplastic, hij verwijst naar Dürer, naar de stripcultuur, naar pop-art, naar sprookjes en naar het minimalisme.

En ieder nieuw werk is op die manier een bewijs van de enorme vitaliteit van de schilderkunst, alsof Polke bij ieder nieuw doek wil zeggen: 'kijk, zo kan het ook! en zo! en zo! en zo!' Na een tiental zalen voel je je in Bonn dan ook als een bokser die nooit weet uit welke hoek de klappen van de tegenstander zullen komen; wel weet je dat ze vrijwel altijd raak zullen zijn - hartstikke duizelig word je ervan.

Dat gevoel van overvloed wordt versterkt doordat Polke het zelf weer heel handig weet te relativeren - hij is een van de weinige kunstenaars die, ondanks zijn grote gebaren, ook om zichzelf durft te lachen en humor aan de dag legt. Neem een beroemd vroeg schilderij dat vaak wordt geciteerd: een wit doek waarvan de rechterbovenhoek zwart is geschilderd. In het wit staat een tekst: Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz malen! Laten we het schildershumor noemen.

Maar ook Polke laat wel eens een steek vallen: zijn abstracte schilderijen uit de jaren tachtig zijn vaak vrijblijvende kleurexplosies. Aan de andere kant zijn het juist deze doeken die je opnieuw doen beseffen waarin de kracht van Polke, en de kracht van goede schilderkunst in het algemeen ligt. Die wéét dat ze iets paradoxaals probeert door de werkelijkheid in verf te willen vangen, maar daar maakt ze juist gebruik van. Ze laat verf en illusie zoveel mogelijk in elkaar overlopen en probeert een spanningsveld te creëren tussen die twee schijnbaar onverenigbare tegenstellingen. En dat kan Polke als geen ander. Neem Frau Herbst und ihre zwei Töchter uit 1991, een van zijn meesterwerken. Ook hier is de drager weer van doorzichtig polyester; aan de linkerkant zien we Vrouw Holle, lustig knippend uit haar mand met stof, naast haar zitten haar beide dochters die de snippers over het landschap uitstrooien.

Kijk je van links naar rechts dan is de plas van wit een dikke laag lappensneeuw; kijk je vanaf rechts, dan is het een vloedgolf van verf die de drie vrouwen dreigt te overspoelen. Op dit soort momenten bewijst Polke zijn meesterschap: dan is hij een schilderkunstig alchimist die uit de meest onwaarschijnlijke elementen goud weet te maken. Als een moderne Hermes.