NUSRAT F.A. KHAN 1948 - 1997; Hallucinerende zang

De Pakistaanse zanger Nusrat Fateh Ali Khan, die zaterdag in Londen aan een hartziekte overleed, had het postuur van Boeddha maar zong vooral de lof van Allah, met een bloedstollende intensiteit. De optredens van hem en zijn 'Party', een koor van meestal een man of tien, leken qua vorm sterk op de erediensten van de zwarte Amerikaanse Baptistenkerk maar overtroffen die in duur en hevigheid.

De vraag en antwoord-zang was zeldzaam opzwepend en had door de eindeloze herhaling niet zelden een hallucinerend effect. Bij een concert in Utrecht in 1991 kreeg het publiek, dat na anderhalf uur bijna in trance zijn jas was gaan zoeken, te horen dat het nog pas pauze was. Loutering is een zaak van lange adem en Nusrat Khan hield niet van half werk.

Het opwekken van uiterste extase, dat was het doel van deze weergaloze stemvirtuoos en popularisator van de quawwali, een muziekstijl die terug gaat naar het Perzië van de tiende eeuw. De muziek verbreidde zich later naar het Indische subcontinent en werd het muzikale uitdrukkingsmiddel van het Soefisme, een Islamitische stroming die de mystieke eenheid tussen Allah en de mens benadrukt.

Nusrat leerde de zangkunst van zijn beroemde vader Ustad maar die raadde hem af muzikant te worden. Hij zag hem liever als advocaat of dokter. In 1965, een jaar na zijn vaders dood, ging de jonge Nusrat toch de muziek in als lid van de quawwali-party van een oom. Zo'n zes jaar later begon hij voor zichzelf en trok al snel de aandacht van velen. Niet alleen door zijn bijzondere stem, maar ook door zijn ongebruikelijk volkse aanpak. Zongen de meeste van zijn collegae uitsluitend in het klassieke Urdu, Nusrat bediende zich ook van het Punjabi en het Urdu van het volk. Ook het feit dat hij behalve over Allah soms ook over liefde, alcohol en andere profane zaken zong maakte hem populair.

Halverwege de jaren tachtig drong hij via Londen ook in het Westen door, wat leidde tot verdere modernisering van het quawwali-genre. Hoogtepunt van deze ontwikkeling - sommigen noemden het een dieptepunt - was het album Musst Musst, vervaardigd door de Real World studio van zanger Peter Gabriel. De ritme-sporen hierop waren door Gabriel gemaakt, in samenwerking met ex-Sting bassist Darryl Johnson, de eindmix was in handen van de Engelse producers Massive Attack.

Voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk van Nusrat had deze bijzondere cd nauwelijks gevolgen. Zijn 'party' werd niet 'geëlektrificeerd', hij hield het bij tabla en harmonia. Wel leek zijn zang bij elke tournee moderner te worden. Gemene glissandi, onverwachte modulaties en enorme toonsprongen deden nog meer dan vroeger de adem stokken. In 1993 trad hij op de Music Meeting in Nijmegen op, daarna werd er weinig meer van hem vernomen. Dat hij behalve zijn corpulentie nog andere fysieke problemen had, werd pas duidelijk uit het bericht dat hij op het punt stond naar Amerika te vertrekken om een niertransplantatie te ondergaan.

Het verdient vermelding dat zijn stem werd gebruikt in films van Oliver Stone en Martin Scorsese, en dat hij een duet zong met popzanger Eddie Vedder van de groep Pearl Jam. Maar deze feiten zinken in het niet bij de indruk die Nusrat Fateh Ali Khan maakte als hij lijfelijk voor je op een podium zat. Hoe kon uit zo'n vet en uitgezakt lijf zo iets lichts en beweeglijks komen, zo'n huiveringwekkend en meeslepend geluid? Dat moest wel het werk van een of andere god zijn die helemaal gek was van muziek.