Noeste werkers

In ogenblikken waarin ik de zelfkritiek toegang tot de geest verleen, weet ik dat ik als voetballer niet altijd even open stond voor de verdiensten van mijn medespelers. Hopelijk hebt u dat ook. Dan verwenste ik onze eeuwig-pingelende links-half, onze te vaak tegen de doelman opschietende midvoor en onze keeper, die op de lijn schier onpasseerbaar was maar buiten zijn doel een schutteraar.

Dat mijn afstandsschoten intussen in het laaghangende wolkendek waren verdwenen, terwijl mijn luidkeelse kritiek op medespelers de stemming in het veld duidelijk had verslechterd, wilde ik voorlopig niet toegeven. Dat kwam pas de volgende dag. Als ik er in de verdienstelijke schaduw van een boom in mijn tuin over nadenk, dan waren de spelers niet de beste elementen rond een elftal, maar was dat - om een voorbeeld te noemen - de geheel kale heer Mees. Zijn achternaam is mij ontschoten. Iedereen noemde hem Mees. Hij speelde een tijd linksbuiten in het tweede elftal en zocht steevast de hoekvlag op, vanwaar zijn voorzetten nog slechter geplaatst waren dan die van Babangida. Maar hij was snel en ontzaglijk geestdriftig en deed mij denken aan een van onze supporters, die bij een hopeloze achterstand en nog slechts een minuut te spelen, placht te roepen: “Kom op, jongens, het kan makkelijk.” Die supporter wilden we voor geen goud kwijt, maar Mees overtrof hem nog. Die hing de netten op, kalkte de lijnen met grote precisie en was bovendien nog secretaris van de elftalcommissie. Ik zat daar enige tijd in en elke maandagavond was vergadering bij Mees thuis. Zijn vrouw verzorgde de koffie en wij kletsten over wat er zaterdag gebeurd was en of het eerste elftal nu eindelijk niet eens verjongd moest worden. Daar tussendoor verzocht Mees op rustgevende toon dat hij de dropvoorraad voor de kantine nodig moest aanvullen en of wij begrepen waarom de chocoladerepen ineens niet meer gingen. Amateurclubs hebben altijd bestaan bij de gratie van mensen als Mees. Ja, hij regeerde bij de thuiswedstrijden ook in de kantine. En als hij uit zijn graf zou verrijzen met de mededeling dat hij bovendien nog de ballen oppompte, zou ik hem onmiddellijk geloven.

Onmisbaar waren en zijn ook sommige trainers. Die haal je niet uit de categorie die in het snelst-mogelijke tempo hoger op wil. Er zijn ook trainers die van een club houden. Zo een was vroeger Frans van der Nolck van Gogh. Mooie naam, mooie trainer. Hij was jarenlang bij het Haagse VIOS in dienst. Soms was Frans op de training de enige die er zin in had. Hij kon dan een smekend gebaar richting spelers maken onder het uitstoten van de hartekreet: 'Doe het dan voor Fransje!' Dit zinnetje dient op plat Haags te worden uitgesproken. Toen ik het voor de eerste keer hoorde ging het als een mes door de ziel. Daarom was het ook een hartekreet. VUC had eveneens een soort factotum rondlopen. Hij heette Piet Hendriks en was een prominent voetballer in de jaren twintig. Later, in de jaren veertig, werd hij trainer-coach. Een talentvol elftal had hij onder zijn hoede. Op de linkervleugel de gebroeders De Harder, die bij VUC waren beland omdat hun vader daar de fietsenstalling mocht runnen - en niet bij ADO. Jan Holleman speelde er, Joep Brandes, Aadje van Hoek, Tonny Strous, die later bij de KNVB in Zeist ging werken en Jan Rolfes. Weer vele jaren later kwam Piet Hendriks op maandagmiddag altijd de Haagse Courant ophalen op de sportredactie. Hij was een uitgesproken voetbaldier, maar de toewijding zat van binnen. Uiterlijk maakt hij een ietwat droefgeestige indruk.

Ik eindig met Koos. Koos was een elftalcommissielid van een zaterdagclub die door zijn oudere broer, die voorzitter van die commissie was, altijd naar de lagere elftallen werd gestuurd. “Belangrijk werk voor onze vereniging, Koos”, riep die broer, die zelf wekelijks het eerste mocht aanschouwen. Koos deed het blijmoedig. Goeie kerel...