Miljonair

Iemand vroeg mij 'ns, tijdens een vertrouwelijk samenzijn, of ik 'misschien wel miljonair' was. “Jij met je huizen, je bent vast miljonair.”

Deze insinuatie verraste me, want, zowaar als ik dit stukje zit te schrijven, nog nooit van m'n leven heb ik m'n geld geteld. U zult zeggen, nou, dan heb je genoeg. Dat is waar, ik heb nog nooit zonder geld gezeten - zonder dat ik me tot de rijken wil rekenen. Want was ik rijk, dan zou ik zeker wel eens m'n centen hebben geteld.

In dienst verdiende ik als sergeant-titulair een gulden vijftig per dag. Daar huurde ik een kamer voor en ik hield nog een kwartje per dag over voor een chocoladewafel. Als sergeant-effectief verdiende ik later net zoveel als programmeur bij de Shell, namelijk ongeveer drieduizend gulden per jaar. Toen ik trouwde verdiende ik zesduizend per jaar en ik herinner me hoe we samen onze toekomstverwachtingen hadden over 'tien miel'. Tien miel - hoezeer onder de indruk wij waren van onszelf.

Ik verdien nu meer dan tien miel, heb wat huizen en tot voor kort twee auto's - maar m'n geld tellen, nee. Wat een huis waard is weet je niet totdat je het verkocht hebt. Aandelen heb ik niet, want ik ben geen speler. Echt, ik heb heel andere besognes.

Toch schijnt het de mensen bezig te houden. Een bekend schrijver lichtte een tijdje geleden op een spreekavond zijn monetaire filosofie toe met een zinspeling op 'het vette salaris van de Shell dat sommige schrijvers genieten' en op 'het makkelijke geld dat je verdient als bedrijfsarts in Enschede'.

Het was duidelijk wie hij bedoelde. Een schimpscheut onder de gordel. Ik heb me afgevraagd wat hem daartoe dreef. Het is een schrijver die denkt dat je, om te kunnen schrijven, in een hutje op de hei moet zitten, of op een onbewoond eiland. Puur geest, 24 uur per dag en als je niet in het gelukkige bezit daarvan bent (geen eiland of hut tot je beschikking hebt), dat het dan niet gaat. Wat ik daarmee te maken had met m'n vette salaris, was mij niet duidelijk. Misschien vond hij mij daardoor niet artistiek genoeg, te burgerlijk en de bedrijfsarts uit Enschede ook, ik weet het niet.

Ik heb er geen zorgen over. Zolang zijn boeken, geschreven op een eenzaam eiland, niet zo goed zijn als die van mij, geschreven in de luxe van een vet salaris, hóef ik me daar ook geen zorgen over te maken.

Geld telt niet. Dat zeg ik ook tegen een dichter uit Vlaanderen, die een soortgelijk romantisch decreet uitsloeg: “Dichters die naast hun dichterschap een gewoon betalend beroep uitoefenen, tellen niet mee voor mij.” Wat een wonderlijk, verkrampt onderscheid. Komt voort uit twijfel aan eigen kunnen, dat is mijn idee. Waarmee ik hem niet wil veroordelen, niet als dichter; een dichter mag twijfelen. Maar een elegante uitspraak is het niet.

Ik denk nooit aan geld. Ik kijk nooit naar de prijs. Ik koop mijn tweedehands-auto altijd te duur, daar ben ik van overtuigd. Ik lig er niet wakker van. Ik heb liever een dubbeltje dat rolt, zegt mijn buurman die in de vrije handel zit, dan een kwartje dat ligt. Zo is het maar net. Het geld wil wel op. In zekere zin heb ik een gat in de hand. Niet ik, maar mijn vrouw. Maar voor zover wij één zijn, heb ik het ook. Kan me niks schelen. Zij krijgt waar voor haar geld. Ze koopt alleen veel te veel. Ze heeft aandelen. Waar ik haar niet om benijd. Ook vandaag niet.

Het Amerikaanse tijdschrift Fortune publiceert elk jaar een lijst van de rijkste firma's, de eerste vijfhonderd. Op die lijst stond Shell, Royal Dutch, altijd als nummer drie, achter General Motors en Exxon. Later rukte Shell op naar de tweede plaats; sinds een aantal jaren staat Shell, Koninklijke Shell, nummer één. Ik ben daar trots op. Zoals ik trots ben op Fanny Blankers-Koen, op Anton Geesink, op Rembrandt, op Mondriaan. Trots op Nederland zelf.

De Koninklijke, World's Number One. Ondanks mij.