Hulpeloos en altijd onderweg

Yoy: Dakloos, morgen, Humanistische Omroep, Ned.1, 21.55u.

Daklozen leggen enorme afstanden af, kan iedereen constateren die een zwerver van gezicht kent en hem weleens op één dag tegenkomt in drie uithoeken van een stad. In het huidige zomerklimaat kan het leven van een zwerver aantrekkelijk lijken. Vrijwel niemand wordt uit vrije wil dakloos en dat feit alleen al blust de romantiek.

De documentaire Dakloos die de Humanistische Omroep morgenavond uitzendt in de serie jongerenprogramma's Yoy, volgt drie jongeren zonder vast adres. Eén verblijft in een slaaphuis in Utrecht, de tweede in een slaaphuis in Apeldoorn en de derde heeft zelf het initiatief genomen voor een opvang voor en door daklozen. Strikt genomen zijn ze dus geen van allen dakloos. In Nederland is 'dakloos' dan ook meer een aanduiding van een bepaalde categorie hulpbehoevenden dan van de feitelijke toestand 'zonder dak'. “Ik ben een dakloze jeugdige”, zegt een van de drie in vloeiend welzijnbargoens.

Wie slaapt in een slaaphuis moet overdag de straat op. De twee jongens in de documentaire doden de tijd in overdekte winkelcentra, wachthokjes van busstations en de openbare bibliotheek. Ze lopen veel. Hun doel is “warm en droog blijven”. De een verkoopt een straatkrant, de ander leest in de bibliotheek strips, de bijbel of de thora. Gebrek aan privacy blijkt een groter probleem dan gebrek aan gezelschap. Marcel (22) gaat op de wc zitten als hij alleen wil zijn. Opmerkelijk is zijn observatie dat er een verborgen circuit van dakloze kinderen bestaat, die slapen in garages of logeren bij steeds anderen.

Documentairemaker Charles Leeuwenkamp geeft een geslaagd inkijkje in het dagelijks leven van de dakloze jongere, maar wil bovendien het falen van de jeugdhulpverlening aan de kaak stellen. De jongeren krijgen ruim de gelegenheid om hun kritiek te spuien, zonder dat iemand van de andere kant een weerwoord geeft. “Je wordt van het kastje naar de muur gestuurd.” “Je moet aan hun voorwaarden voldoen, anders kunnen ze je niet helpen.” “Ze weten te weinig van het circuit. Hun oplossingen zijn al klaar voor je met het probleem komt.” “Altijd maar gesprekjes en rare testjes en dan ben je weer terug bij af.” Nu is er veel mis in de jeugdhulpverlening (bureaucratisering en versplintering), maar deze kritiek is niet overtuigend. Dat ligt aan het gebrek aan concrete voorbeelden, maar ook aan de critici. De jongeren die aan het woord komen zijn - na een jeugd in pleeggezinnen en internaten - losgeraakt van het tracé dat hun leeftijdgenoten volgen. Ze hebben dromen, maar lijken de stap naar verwerkelijking niet te kunnen zetten. Ze voelen zich waarschijnlijk (tijdelijk) het beste als ze elke dag veel lopen en kijken. Ze missen geloof in de toekomst en in zichzelf. “De meeste hulpverleners konden mij niet helpen”, zegt een van hen en hij licht toe: “Ik ben vrij snel best wel geïrriteerd.” Het ligt ook aan hem en hij weet dat. Als je niet te helpen bent, kun je dan de hulp beoordelen?

Des te opmerkelijker het initiatief van Maaike (21), de derde jongere die in aan het woord komt. Samen met andere daklozen richtte zij een eigen opvang op, voor en door daklozen. De bedoeling is dat daklozen die daar werken geleidelijk terugkeren naar een geregeld en verantwoordelijk bestaan, hetzelfde principe dat ten grondslag ligt aan de productie en verkoop van straatkranten. Helaas komt Maaike het kortst in beeld en ontbreekt een vergelijking met de bestaande opvang. Hebben daklozen het bij Maaike beter naar hun zin? Voelen ze zich beter begrepen, meer op hun gemak, meer gerespecteerd, met rust gelaten? Door deze vragen niet te stellen strandt deze documentaire in de goede bedoelingen, zoals dat ook bij projecten in de jeugdhulpverlening weleens het geval is.