Dierentuinen op drift: Noorder Dierenpark; De adelaar is geland

Alle Nederlandse dierentuinen hebben hun nieuwigheden, maar die in Emmen was er het eerst mee. Het Noorder Dierenpark is een voorbeeld voor alle in binnen- en buitenland. Terwijl het dertig jaar geleden nog een miezerig en verwaarloosd parkje was. Vierde deel in de serie over de harde strijd om het dierentuinbestaan.

Op 27 mei 1935, bij de opening van het Noorder Dierenpark, zei burgemeester J.L. Bouma van Emmen: “Dit park is niet gebouwd voor één gemeente, niet voor één provincie, maar voor allen die boven Zwolle wonen. Niet bij duizenden, maar bij tienduizenden zal het bezoekers trekken.” Inmiddels zijn die woorden werkelijkheid geworden, en zelfs meer dan dat: vorig jaar passeerden ruim 1,7 miljoen bezoekers de poorten, waarmee dit park zich heeft geklasseerd als de tweede Nederlandse attractie voor dagtoerisme na de Efteling.

Toch heeft het eind jaren zestig weinig gescheeld of het Noorder Dierenpark, dat toen nog maar 200.000 bezoekers trok, was ten onder gegaan. Grondlegger Willem Sjuck Johannes Oosting verklaarde destijds tegenover de Emmer Courant dat de neergang geheel en al te wijten was aan de toename van buitenlandse vakanties, de concurrentie van pretparken en verwender publiek. Zwaar gedesillusioneerd voegde hij daaraan toe: “Kijk, er komt zoveel op recreatiegebied... Vele varkens maken de spoeling dun. Daar komt nog bij dat ze al die beesten op de televisie al in het wild hebben zien lopen, hun nieuwsgierigheid is al bevredigd.”

De in 1909 geboren Oosting kwam uit een geslacht van Drentse notarissen en wist op zijn zesde jaar al wat hij wilde worden: directeur van Artis. Dierenliefde zat hem en zijn familie in het bloed. Zijn vader bracht een door de moeder verlaten nest jonge egels groot in een stoof bij de haard. Een oom hield op grote schaal kippen, doch slachtte geen hen, haan of kuiken; alle beesten mochten een natuurlijke dood sterven. Willem zelf redde regelmatig uit het nest gevallen vogels. “Hij had geen studiehoofd”, vertelt zijn dochter Aleid. “Na drie jaar hbs hield hij de school voor gezien en daarna maakte hij geen enkele haast om een maatschappelijke carrière op te bouwen. Die noodzaak was er ook niet, zijn ouders hadden geld genoeg en gaven hem nota bene een auto om in rond te toeren, totdat hij op zijn 26ste jaar wist wat hij wilde: een eigen dierentuin annex uitspanning, in de royale achtertuin van het ouderlijk huis aan de Emmense Hoofdstraat.”

Met 55.000 gulden van zijn vader en hulp van diens tuinman gaf Willem Oosting de eerste aanleg van het park vorm. Hij kocht manenschapen, bruine beren, roofvogels, chimpansees, een roedel wolven en 1 kameel. Werklozen zorgden in het kader van de werkverschaffing voor de bouw van dierenverblijven en de aanleg van het park, inclusief een theepaviljoen, een speeltuin met doolhof, een uitkijktoren, lachspiegels en een marmottendorp met huisjes in de stijl van naburige boerderijen.

Na zijn huwelijk met een tuinarchitecte kreeg het park een nog fraaier aanzien. “Mijn moeder zorgde voor schitterende bloemperken, bijvoorbeeld rose bij de famingo's”, vertelt dochter Aleid, “en ook rangschikte zij vogels op kleur in volières: rood bij rood, wit bij wit, blauw bij blauw, ongeacht of die vogels qua karakter en afkomst wel bij elkaar pasten.”

Over haar vader zegt ze: “Hij was een beetje een zonderling, alsof hij niet met beide voeten op de grond stond. Het liefst wilde hij een adelaar zijn, door weinig dieren bedreigd en overal boven zwevend.”

De Tweede Wereldoorlog, een ramp voor de dierentuinen in Rotterdam, Rhenen en Arnhem, kwam het Noorder Dierenpark ongeschonden door. Boven het roofdierenverblijf zaten joden ondergedoken. In de jaren daarna bleef het park dè noordelijke trekpleister, totdat eind jaren zestig het verval inzette. “Dat lag niet alleen aan het verwend raken van het publiek”, vertelt dochter Aleid openhartig. “Er kwam bij dat mijn vader er geen zin meer in had. Voorheen was hij gewoon dag en nacht door zijn dierentuin te struinen om te zien of alles goed was. Nadat hij weduwnaar was geworden had hij een nieuwe vrouw leren kennen en daar was hij zo hoteldebotel van dat hij het park begon te verwaarlozen.”

Nog even overwoog de toen zestigjarige Oosting de dierentuin van inmiddels zo'n 7,5 hectare om te bouwen tot een pretpark, maar zijn zus en mede-aandeelhoudster Digna Gerritzen-Oosting was mordicus tegen, evenals de gemeente Emmen. In 1970 kwam het tot een constructie waarbij Willem terugtrad; Digna en de gemeente namen ieder de helft van de aandelen. Op 28 augustus 1969 stond in de Emmer Courant: “Het beste zou zijn als een jong echtpaar met liefde voor dieren en bovendien nog met een zakelijke flair de teugels in handen ging nemen. Ze zullen in Emmen niet rijk worden, maar zeker een interessant leven hebben.”

Op dringend verzoek van tante Digna zocht president-commissaris en VVD-senator mr. Harm van Riel het echtpaar Jaap en Aleid Rensen-Oosting aan om het Noorder Dierenpark een nieuwe toekomst te bezorgen. Jaap was op dat moment een 42-jarige architect, de toen 32-jarige Aleid had de zorg voor opgroeiende kinderen. Zij herinnert zich nog goed welke gevoelens zij en haar man toen koesterden: “Wij moesten beiden níets van dierentuinen hebben, en zeker niet van die in Emmen. Ik ben er als kind mee grootgebracht en nooit zal ik het beeld vergeten van al die arme dieren, opgesloten in hun kooi. Er was hier onder meer een vosje dat de hele dag in een tredmolen liep om zijn energie kwijt te raken. De hygiëne hield ook niet over. Sommige dieren lagen in hun eigen drek. Uit het bassin van nijlpaard Winston werd tweemaal per week de stop getrokken. Als het water was weggelopen, schepten verzorgers de mest eruit. Daarna werd het bassin met een tuinslang schoongespoten en kon het weer vollopen. 's Winters gingen de dieren op stalling, wat in het geval van allerlei vogels en andere kleinere dieren betekende dat ze in kisten werden gedaan en aldus opgestapeld in een verwarmde ruimte. Niet alle dieren overleefden die behandeling. Bovendien was het park eind jaren zestig niet om aan te zien: modderpaden, wrakke gebouwtjes, onhygiënische vleesopslagplaatsen, een afbrokkelende berenrots...”

Met hulp van de gemeente en adviezen van hoofdoppasser Gezinus Boer - een legendarische naam in de historie van het park - sloegen de Rensens zich door die eerste periode heen en investeerden zij om te beginnen één miljoen gulden. Sindsdien is zo'n 140 miljoen gulden in het Noorder Dierenpark gestoken, met als resultaat een modeldierentuin, waaraan concurrenten over de hele wereld een voorbeeld nemen. En toch, zegt Aleid Rensen-Oosting, hadden zij en haar man destijds geen idee waaraan ze begonnen, behalve het vaste voornemen alles om te gooien. Van meet af aan stond voor hen vast dat een dierentuin meer moest bieden dan alleen 'aapjes kijken'. Het moest een park worden waar bezoekers iets konden opsteken over de levende natuur - en levende natuur was volgens de nieuwe directie meer dan een aap in een kooi houden of een beer in een kuil. De traditionele dierenverblijven pasten niet in die nieuwe filosofie. Zij werden gesloopt of verbouwd en het dierenbestand werd spectaculair opgeschoond. Na de buffels en de bisons verdwenen de chimpansees, de leeuwen, de ijsberen, de kamelen, de poema's en ook de trots van grondlegger Willem Oosting: de condors, gieren en arenden. Zijn dochter zegt beslist: “Condors zweven overdag in de Andes, hoog boven de bergen en 's nachts rusten zij op hun nesten tegen de rotsen, dat is hier fysiek onmogelijk, dus hebben we ze weggedaan.”

Het huidige dierenpark is opgedeeld in deels overdekte continenten, zoals de Afrikasavanne, het Africanium en het AmeriCasa, waarin verschillende uit die gebieden afkomstige diersoorten bijeen leven. Inmiddels wordt deze herindeling naar continenten bij meer dierenparken doorgevoerd, maar toen de Rensens ermee begonnen was dit concept totaal nieuw. Sleutelwoord in het Noorder Dierenpark is sinds jaren educatie, en dat is meer dan een holle term. Het park telt inmiddels vijf forse musea, waarin prehistorie en de werelden van levende dieren en planten naadloos in elkaar overgaan. Een typisch voorbeeld is het Biochron, in 1985 door koningin Beatrix geopend. In dat gebouw loopt de bezoeker door 4,6 miljard jaar aardgeschiedenis, deels bestaand uit videobeelden en dood materiaal, deels uit ondergronds gebouwde aquaria waar haaien aan je neus voorbijzwemmen, deels uit een tropische vlindertuin, waar 1.500 vlinders tussen de bezoekers door fladderen.

De bouw van het Biochron heeft destijds de gemoederen van de Emmense christelijke bevolking danig verhit, want hier botsten visies over evolutie en christelijke leer. Maar een adviseur van de Rensens van het eerste uur, Berend Wezeman, leraar biologie aan een lokale christelijke scholengemeenschap, wuifde de christelijke bezwaren weg: “Je moet het Biochron beslist niet zien als een tempel van de evolutie, waarmee wordt geprobeerd iemand die iets anders gelooft in moeilijkheden te brengen”, zei hij tegen de lokale pers.

De huidige directeur van het Noorder Dierenpark Henk Hiddingh, sinds september 1995 de opvolger van het echtpaar Rensen, vertelt: “In 1983 kwam ik hier als kersvers bioloog en paleontoloog adviseren bij de inrichting van het Biochron. Ik dacht dat het voor enkele jaren zou zijn, maar ik ben van het een in het ander gerold.”

Het echtpaar Rensen leerde hij kennen als een perfect op elkaar inspelend span. Jaap had als architect doorslaggevende inbreng in de vormgeving van de musea en dierenverblijven; Aleid was een meester in het aandragen van nieuwe ideeën, ook op het gebied van public relations. En zij had het geluk mee. Al in 1971 kreeg zij het verzoek met twee pasgeboren leeuwtjes die zij thuis verzorgde naar een kazerne in Havelte te komen waar Willem Duys een avondvullend programma zou verzorgen. Ze deed het zo leuk in die show dat Duys haar vroeg voor zijn tv-programma De Vuist. De jaren daarna werd ze vaste gast met ontelbaar veel 'flessekinderen': een nijlpaard, jaguar, ijsbeer, woestijnlynx, een kudde geiten, een tijger, een chimpansee en vele andere dieren. Haar tv-optredens leidden vervolgens tot weer andere optredens in weer andere tv-programma's. Het Noorder Dierenpark kreeg door al deze uitzendingen nationale bekendheid.

De overweldigende publieke belangstelling heeft inmiddels een nieuw probleem veroorzaakt: de opvangcapaciteit schiet tekort; op drukke dagen is het er veel te druk, of zoals Hiddingh zegt: “Wij zijn slachtoffer van ons eigen succes. Hier midden in de stad zitten we klem, en tòch gaan we uitbreiden om de attractiewaarde van ons park verder te verhogen.”

Voor verdere uitbreiding heeft hij het oog laten vallen op 35 hectare van de zogeheten Noordbargeres, op vijfhonderd meter van het huidige park verwijderd. De gemeente Emmen heeft intussen onder architecten een prijsvraag uitgeschreven om te bedenken hoe tussen beide locaties een verbinding kan worden gelegd, dwars door en over het Emmense winkelcentrum heen. Bij de invulling van het nieuwe grondgebied zal het thema water centraal staan. Zo ziet Hiddingh daar voor zijn geestesoog een watermuseum en enkele al dan niet overdekte kustbiotopen. Zo valt te denken aan een Zuid-Amerikaanse kust met 75 reusachtige manenrobben en een naar Florida-model nagemaakt moeras-cypressenbos met alligators, schildpadden en vogels. Verder koestert Hiddingh plannen voor een mangrovebos en een biotoop met kolossale soepschildpadden. Tot het jaar 2002 zal voor de realisatie van die plannen zo'n 45 miljoen gulden nodig zijn.

Directeuren van andere Nederlandse dierentuinen erkennen zonder uitzondering en volmondig de Emmense pioniersrol, maar voegen er onmiddellijk aan toe dat het Noorder Dierenpark vooral heeft kunnen groeien dankzij zakken vol overheidsgeld. Hiddingh kent die verhalen: “Wij hebben met name in de jaren tachtig en begin jaren negentig inderdaad heel regelmatig kunnen profiteren van investeringssubsidies: van het Europees fonds voor regionale ontwikkeling, van het integraal structuurplan noorden des lands en natuurlijk ook de WIR-premie plus de regionale toeslag op de WIR, maar van de 140 miljoen gulden die hier sinds 1970 is geïnvesteerd, is niet meer dan 25 miljoen gesubsidieerd. De rest is altijd gefinancierd uit eigen middelen en door leningen aan te gaan.”

Om de continuïteit van het Noorder Dierenpark te waarborgen hebben de familieleden en de gemeente Emmen hun aandelen enkele jaren geleden overgedaan aan de 'Stichting tot Instandhouding van het Noorder Dierenpark'. Alle winst verdwijnt in het park en verder worden investeringen gefinancierd door donateurs van het Jaap en Aleid Rensen Fonds en door leningen aan te gaan.

Sponsoring is in Emmen taboe, althans in ieder geval opzichtige sponsoring. Of zoals Hiddingh zegt: “Bedrijven die ons geld willen geven heten wij van harte welkom, maar ze moeten er niets voor terug verwachten. Geen geschetter, geen getrompetter. Als bedrijven ons geld willen geven moeten ze het doen uit liefde voor de wereld van planten, dieren en mensen, niet om meer ijsco's of frisdranken te verkopen.”