Autorijden wordt al meer dan betaald

Volgens econoom Leo Dietz wordt het tijd dat de negatieve effecten voor het milieu veel meer in de prijzen van goederen en diensten worden doorberekend (NRC Handelsblad, 1 augustus). Het beste zou zijn als er een integrale doorberekening zou plaatsvinden. Hij heeft daarin volstrekt gelijk. Jammer is wel dat hij vervolgens zijn stelling aan de hand van het verkeerde voorbeeld toelicht.

Volgens Dietz wordt autorijden algemeen als duur ervaren maar betaalt de automobilist in feite slechts een deel van de werkelijke kosten. De overige kosten, zoals politie-inzet en luchtverontreiniging worden niet vergoed. “Zo betalen degenen die geen auto bezitten mee aan het autorijden.”

Dit is een hardnekkig misverstand. Het rijden met een personenauto is nu juist een goed voorbeeld van een activiteit waarvan de zogeheten maatschappelijke kosten volledig worden doorberekend.

De automobilist betaalt bij aankoop van zijn auto een speciale aankoopbelasting (BPM) plus BTW, vervolgens voor het bezit van de auto de motorrijtuigenbelasting en om te kunnen rijden op iedere liter brandstof een zeer hoge accijns en ook weer BTW. Deze belastingen tezamen leveren een bedrag op dat aanzienlijk uitgaat boven wat de overheid uitgeeft aan voorzieningen voor de personenauto plus de op geld te waarderen overige kosten.

Nadere informatie daarover geeft de studie 'De prijs van mobiliteit in 1993' van het onafhankelijke Instituut voor Onderzoek voor Overheidsuitgaven (IOO).

In 1993 betaalde de bezitter van een personenauto al bijna 15 miljard aan belastingen en sindsdien zijn deze nog fors gestegen. De directe uitgaven bedroegen in datzelfde jaar 6 miljard. Daarbij rekende het IOO externe kosten die, afhankelijk van bepaalde aannames, varieerden van 3,5 tot 8,2 miljard gulden. Ook als van het hoogste bedrag wordt uitgegaan, is het totaal aan wat alle automobilisten tezamen betalen, hoger. Er vindt dus een volledige doorberekening van alle kosten plaats.

Men kan van mening verschillen over de vraag hoe deze kosten doorberekend moeten worden. Op het ogenblik geschiedt dat via de aankoop, het bezit en het gebruik van auto's. Er is zeker iets voor te zeggen om de nadruk te leggen op het gebruik en minder op het bezit. Dat is dan ook het beleid van het huidige kabinet dat op 1 juli de accijnzen heeft verhoogd en gelijktijdig de motorrijtuigenbelasting iets heeft verlaagd. Het is de bedoeling dat dit beleid de komende jaren wordt voortgezet. Automobilisten zullen dan bewuster kiezen. Dat staat los van het feit dat alle kosten van het autorijden al integraal worden doorberekend.

Dietz had beter de luchtvaart als voorbeeld kunnen nemen, die vrijwel zonder belastingen opereert. Vliegtuigbrandstof is belastingvrij en op tickets wordt geen BTW geheven. De Nederlandse overheid zou dat wel willen veranderen maar heeft er kennelijk moeite mee andere landen van de juistheid van dit standpunt te overtuigen. Aan dat aspect gaat Dietz voorbij. Om concurrentievervalsing te voorkomen, moet doorberekening van kosten wel zo veel mogelijk voor alle produkten en diensten plaats hebben en dan minstens in heel Europa.